Resistentie-genen van wilde verwanten van gewassen bieden wereldwijd kansen voor duurzamere landbouw

Nieuws

Resistentie-genen van wilde verwanten van gewassen bieden wereldwijd kansen voor duurzamere landbouw

Gepubliceerd op
4 september 2015

Het telen van gewassen met setjes van twee of meer resistentiegenen van wilde aardappelsoorten, gecombineerd met gelijktijdige introductie van resistentie-management, kan ervoor zorgen dat die gewassen langdurig resistent blijven tegen economisch belangrijke en agressieve ziekten. De combinatie biedt daarmee wereldwijd kansen voor het duurzamer maken van de landbouw, bijvoorbeeld als onderdeel van geïntegreerde bestrijding, waarbij alleen in uitzonderlijke situaties -lagere doses- chemische middelen worden ingezet. Dat blijkt uit het internationale symposium dat op 3 september bij Wageningen UR werd gehouden, bij de afsluiting van het tien jaar durende onderzoek naar aardappels die langdurig resistent zijn tegen Phytophthora, dankzij genetische modificatie met resistentiegenen uit wilde aardappelsoorten (DuRPh). Het DuRPh-onderzoek werd gefinancierd door de Nederlandse overheid.

Aardappel is wereldwijd het derde voedselgewas en in Nederland het belangrijkste akkerbouwgewas. Bij de teelt van aardappelen worden, in vergelijking met de teelt van andere gewassen, veel bestrijdingsmiddelen gebruikt. Telers zetten deze middelen vooral in voor de bescherming van het gewas tegen de aardappelziekte die wordt veroorzaakt door Phytophthora infestans. Dat is een ziekteverwekker die genetisch gezien erg ‘plastisch’ is: er is veel genetische variatie aanwezig, waardoor er makkelijk nieuwe vormen van de ziekteverwekker kunnen ontstaan. Daardoor kan zo’n genetisch plastische ziekteverwekker relatief makkelijk door de afweer van resistente planten breken.

Belasting van het milieu

In de gangbare aardappelteelt moet jaarlijks 10 - 15 keer met fungiciden gespoten worden om de ziekte buiten de deur te houden. Dat gaat gepaard met een belasting van het milieu. Bovendien kosten opbrengstverliezen en de bestrijding van de aardappelziekte de Nederlandse telers circa € 100.000.000,- (honderd miljoen) per jaar. Dat is bijna 20% van de productiekosten. Wereldwijd lopen de kosten van de aardappelziekte (oogstverliezen plus kosten voor bestrijding) in de vele miljarden.

DuRPh

In het tienjarige onderzoeksprogramma DuRPh zijn met genetische modificatie met genen van wilde aardappels prototypes van aardappelrassen ontwikkeld die duurzaam resistent zijn tegen de aardappelziekte. Bij het onderzoek is ook effectief resistentiemanagement ontwikkeld, waarbij de genetische variatie van de ziekteverwekker door heel Nederland gemonitord wordt. Door de combinatie van deze twee aanpakken kan tot 80% bespaard worden op het gebruik van fungiciden. Het onderzoek werd gefinancierd door het ministerie van Economische Zaken, en uitgevoerd door Wageningen UR

Resultaten ook van belang voor andere voedselgewassen

Resistentie-genen van wilde verwanten van gewassen bieden wereldwijd kansen voor duurzamere landbouw

Volgens de internationale wetenschappers die op 3 september 2015 bij de afsluiting van DuRPh aanwezig waren, zijn de resultaten van DuRPh goed te vertalen naar situaties bij andere belangrijke voedselgewassen. Er zijn namelijk meer gewassen waarbij één of een paar specifieke ziekteverwekkers tot grote problemen leiden, zoals in tarwe en banaan. En ook daar zijn er waarschijnlijk wilde soorten te vinden waarin resistentiegenen opgespoord kunnen worden.

Door ook in die gewassen setjes met meerdere resistentiegenen van wilde soorten bijvoorbeeld via genetische modificatie op een slimme manier in rassen te combineren, de ziekteverwekker goed te monitoren en de combinatie van resistentiegenen tijdig aan te passen, kunnen de resistente rassen van ook andere gewassen dan aardappel hun weerstand tegen de ziekte langdurig vasthouden. Zelfs als de ziekteverwekker genetisch erg divers is en zich makkelijk aanpast aan de resistentie van de plant.

Recente wetenschappelijke inzichten laten zien dat de resistenties waarschijnlijk nog langer stand zullen houden, als in de setjes resistentie-genen ook genen worden opgenomen die wetenschappelijk gezien weliswaar geen echte resistentie-genen zijn, maar die wel een belangrijke rol spelen bij de interactie tussen planten en hun ziekteverwekkers.