Stadslandbouw leidt niet altijd tot gezellige buurt

Persbericht

Stadslandbouw leidt niet altijd tot gezellige buurt

Gepubliceerd op
11 juni 2015

Stadslandbouw wordt vaak ingezet als een middel om de sociale cohesie in de buurt te vergroten, maar volgens Esther Veen leidt dit lang niet altijd tot betere relaties tussen buurtbewoners. Dit schrijft ze in haar proefschrift dat ze aanstaande maandag verdedigt aan Wageningen University.

De Wageningse promovenda Esther Veen observeerde voor haar promotieonderzoek verschillende moestuinen waarin mensen uit één buurt bij elkaar komen. In deze buurtmoestuinen zag ze dat niet iedereen meedoet en dat er in de tuin groepen ontstaan. “Vaak wordt aangenomen dat een buurtmoestuin veel oplevert voor de buurt. Maar ook deze tuinen maken deel uit van ‘de echte wereld’ waar problemen spelen. Het is voor gemeenten, initiatiefnemers van stadslandbouwprojecten en andere betrokkenen daarom van belang dat ze de vaak hooggespannen verwachtingen bijstellen. Met een buurttuin doorbreek je bestaande sociale structuren niet zo makkelijk en het is lastig om mensen vanuit verschillende sociaal-economische achtergronden met elkaar in contact te laten komen.” In het onderzoek komt echter wel naar voren dat buurttuinen er voor zorgen dat buurtbewoners elkaar beter leren kennen en makkelijker bij elkaar aankloppen als ze hulp nodig hebben.

Uitwisselbare contacten

Veen deed niet alleen onderzoek in buurtmoestuinen. Ze observeerde ook tuinen waar bewoners vooral geïnteresseerd zijn in het kweken van groente en fruit en niet bij elkaar in de buurt wonen. Uit dit onderzoek blijkt dat mensen het gezellig vinden om een praatje te maken met de anderen in de tuin, maar dat deze contacten eenvoudig uitwisselbaar zijn voor een praatje met iemand anders. Ook leiden deze praatjes nauwelijks tot contacten of vriendschappen buiten de tuin.

Niet tegen ‘het systeem’

Stadslandbouw

In de wetenschappelijke literatuur wordt vaak aangenomen dat burgers die tuinieren in een moestuin een bepaalde weerstand hebben tegen het huidige voedselsysteem en dat de tuin voor deze mensen een alternatief voedselnetwerk vormt. Veen besloot deze aannames te onderzoeken en kwam er achter dat dit in de tuinen die zij onderzocht niet zo is. Mensen tuinieren vooral omdat ze het leuk vinden, niet omdat ze de wereld willen veranderen of tegen het conventionele voedselsysteem zijn. Veen: “Voor sommige mensen past het eten uit een buurttuin wel bij een levensstijl waarin biologische of lokale producten een belangrijke rol spelen, maar dit is voor hen een persoonlijke overweging. Ze zien zichzelf niet als onderdeel van een alternatief voedselnetwerk.”

Participatieve observatie

Veen deed onderzoek in zeven tuinen (in Almere (twee tuinen), Amsterdam, Assen, Leeuwarden, Rotterdam en Zutphen) via interviews en enquêtes. Vier van de zeven tuinen observeerde ze ook via ‘participatieve observatie’. In deze tuinen hielp Veen mee en nam ze deel aan de activiteiten die de tuinen organiseerden zoals een paasbrunch en een oogstmarkt. Veen: “Deze methode maakt het mogelijk om zelf te ervaren hoe het eraan toe gaat op de tuin. Je leert zo veel meer over de sociale relaties die ontstaan dan wanneer je mensen interviewt.”

Het promotieonderzoek van Veen is onder andere gefinancierd via een KB (kennisbasisonderzoek KBIV) project. Veen blijft na haar promotieonderzoek werkzaam bij Wageningen UR als onderzoeker rond het thema stadslandbouw.