Nieuws

Uitrijden van besmette mest mede-oorzaak van verspreiding Q-koorts

Gepubliceerd op
6 mei 2014

Het uitbreken van Q-koorts blijkt vaak samen te hangen met het uitrijden van besmette mest. Tot nu toe werd aangenomen dat de besmetting rechtstreeks van geitenboerderijen kwam, en dat dus vooral omwonenden van het geitenbedrijf ziek werden. Dat is het resultaat van een ruimtelijke analyse van de Q-koorts-uitbraak van 2006-2010. Het onderzoek werd uitgevoerd door Alterra, in samenwerking met de GGD Zuid-Limburg en de Universiteit van Maastricht. Het onderzoek is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift PLOS One.

Q-koorts is een zoönose, een infectieziekte die overgedragen kan worden van dieren op mensen. Uit eerder onderzoek bleek er een ruimtelijk verband te zijn tussen geitenhouderijen die met Q-koorts besmet waren en ziektegevallen bij mensen. Zoals verwacht werden in de buurt van besmette bedrijven meer mensen ziek dan op afstand van die bedrijven. “Maar,” zegt Alterra-onderzoeker Tia Hermans, “we zagen dat het wonen vlak bij geitenboerderijen maar voor iets meer dan de helft een verklaring kon zijn voor de Q-koorts besmettingen. Er moest dus meer aan de hand zijn.”

Incubatietijd van Q-koorts

Uit onderzoek van het Centraal Veterinair Instituut was bekend dat mest van geiten tot maximum 3 maanden na het lammeren nog besmet kan zijn met Q-koorts. “Langs die weg zijn we verder gaan zoeken,” zegt Tia Hermans. “We hebben gekeken of er een verband was in plaats en tijd tussen het lammeren, het uitrijden van mest en het opreden van de ziekte bij mensen. Uit onze analyses bleek dat de piek van lammeren laat in de winter werd opgevolgd door een piek in mestuitrijden in de vroege lente. In mei, een maand na het mestuitrijden, piekten de ziektegevallen bij de mens. De tijd tussen het mestuitrijden en de piek van ziekmeldingen komt overeen met de incubatietijd van Q-koorts, de tijd die verstrijkt tussen de besmetting en de eerste ziekteverschijnselen.“

Uitrijden van besmette mest

Het aantal zieken dat in de buurt van agrarische percelen met besmette mest werd aangetroffen was procentueel groter dan het aandeel zieken in de buurt van besmette geitenhouderijen. Ook was het aantal zieken rond percelen met besmette mest procentueel hoger dan rond percelen met niet-besmette mest, en waren er meer zieken rond besmette bedrijven met eigen grond, dan rond besmette bedrijven zonder eigen grond (die de mest naar elders af moeten voeren). Het uitrijden van besmette mest speelt dus een belangrijke rol bij het verspreiden van de Q-koorts.

Effectieve controle

De resultaten geven dan ook aanleiding tot het herbeoordelen van de eerder genomen beleidsmaatregelen om de verspreiding van Q-koorts in te dammen. Besmette bedrijven kregen vanaf 2008 een verbod om mest te transporteren binnen 90 dagen na de besmet-verklaring. Dat werd in 2009 aangescherpt tot een verbod van 30 dagen na het lammeren. Tia Hermans: “Uit ons onderzoek blijkt dat het merendeel van de transporten vanaf besmette bedrijven binnen 1 maand na het lammeren plaatsvindt. Voorlichting over de gevolgen van het uitrijden van mest aan boeren is nodig, evenals effectieve controle. Die controle geldt ook voor het verspreiden van mest op eigen percelen. Uit ons onderzoek blijkt ook dat het nodig is om bij nieuwe uitbraken van zoönosen data van dieren en mensen geïntegreerd te analyseren, op nationale schaal, en met experts op het gebied van bedrijfssystemen, om een op zich logische route van de verspreiding van Q-koorts niet nog eens te missen.”