Veredeling van inheemse biologische bestrijders tegen plaaginsecten

Nieuws

Veredeling van inheemse biologische bestrijders tegen plaaginsecten

Gepubliceerd op
29 september 2016

Biologische bestrijding van plaaginsecten heeft de toekomst. Maar er zijn ook nog nadelen. ‘Zo zijn veel van de biologische bestrijders, die nu worden ingezet, uitheemse organismen en dat kan de biodiversiteit aantasten’, zegt dr. Bart Pannebakker van het Laboratorium voor Erfelijkheidsleer van Wageningen University & Research. Als coördinator van het internationale onderzoeksproject project BINGO-ITN wil Pannebakker daarom het liefst inheemse biologische bestrijders beter toerusten voor deze taken.

Dat het inzetten van exotische organismen om plaaginsecten te bestrijden de nodige nadelen kan hebben, bleek bijvoorbeeld aan het eind van de vorige eeuw, toen het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje werd uitgezet om luizen te bestrijden. Bij gebrek aan natuurlijke vijanden bleek de luizenbestrijder flink te kunnen woekeren. Zelfs de larven van inheemse lieveheersbeestjes staan nu op het menu van deze exoot.

Ingeburgerde exoten

De opzet van het project BINGO-ITN (Breeding Invertebrates for Next Generation BioControl-Innovative Training Network) is dan ook om vooral inheemse biologische bestrijders te ontwikkelen en te verbeteren, vertelt Pannebakker. ‘Tegelijk zijn we ook pragmatisch, en kijken we ook naar “ingeburgerde” exotische biologische bestrijders, die zich nu eenmaal toch al in onze omgeving hebben gevestigd.’

Harige planten

Zo’n ingeburgerde exoot is bijvoorbeeld de roofmijt Amblyseius swirskii. ‘Dat is een rover die spintmijten en wittevlieg bestrijdt op heel veel gewassen, maar niet op tomaat. Hij kan niet tegen de haartjes op de tomatenplanten. Eén van onze deelprojecten is er op gericht om in het Mediterrane gebied van herkomst te zoeken naar variëteiten die wél op harige planten, zoals tomaten kunnen leven.’

BINGO-ITN

Schubbenallergie

De BINGO-onderzoekers richten zich ook op de kweekomstandigheden van biologische bestrijders. Pannebakker: ‘Veel biologische bestrijders worden gekweekt op de eitjes van meelmotten. Maar de volwassen motten hebben schubben op hun vleugels, die serieuze allergische reacties kunnen veroorzaken bij de mensen die ermee moeten werken. Inmiddels hebben we een variant van de meelmot gevonden, waarvan de vrouwtjes geen schubben hebben op de vleugels. Helaas leggen die vrouwtjes ook minder eitjes, dus voordat die “hypo-allergene” meelmotten gebruikt kunnen worden in de kweek, zullen we moeten ontdekken hoe we alléén de schubloze eigenschap in andere lijnen kunnen kruisen.’

Markers in sluipwespen

Met de ervaringen van eerdere, invasieve exotische bestrijders in het achterhoofd, is veel van het onderzoek nu gericht op het voorkómen van nieuwe problemen, zegt Pannebakker. ‘Vóór nieuwe varianten van biologische bestrijders grootschalig commercieel ingezet gaan worden, willen we eerst onderzoeken of – en zo ja hoe – hun genen zich verspreiden onder wilde populaties. Dat zullen we onder andere doen met onschuldige genetische merkers in uitgezette sluipwespen. Vinden we die na uitzetten ook terug in de wilde populatie?’

Horizon

Het project BINGO-ITN wordt sinds januari 2015 tot december 2018 gefinancierd uit het Europese Horizon 2020-fonds. ‘Aan het eind van het project hoop ik dat we op zijn minst een goed beeld hebben hoe we met name onze kennis van de genetica kunnen inzetten om biologische bestrijding beter en nóg veiliger te maken’, aldus Pannebakker.