Nieuws

Wilde fauna 2014

Gepubliceerd op
20 oktober 2015

Een van de taken van Central Veterinary Institute (CVI), onderdeel van Wageningen UR, is de monitoring van diergezondheid van dieren die in het wild leven. Ook deze dieren kunnen namelijk ziekten bij zich dragen en zo een bron zijn van ziekten bij mensen (zoönosen), bij huisdieren en bij dieren in de dierhouderij.

Naast de monitoringsprogramma’s onderzoekt CVI dood aangetroffen wilde dieren om de doodsoorzaak vast te stellen. Het gaat dan vooral om dieren verdacht van een (besmettelijke) dierziekte of die vermoedelijk een onnatuurlijke dood zijn gestorven.

In 2014 nam CVI In het kader van het wettelijke wildefauna-onderzoek 110 inzendingen in behandeling. Dit betrof 208 dood aangetroffen dieren, 5 levende watervogels, 5 organen, 2 serummonsters en 26 stuks verdacht materiaal. De dode dieren waren roofvogels, watervogels, zoogdieren en vissen. Van 115 dood aangetroffen dieren heeft CVI de doodsoorzaak kunnen vaststellen. De gevonden oorzaken waren vooral trauma, vergiftiging, uitputting, afschot en botulisme.

Botulisme
In 2014 werd in 24 plaatsen in Nederland botulisme vastgesteld, in 2013 was dat in 22 plaatsen. In drie van de 24 plaatsen werd ook in 2013 botulisme geconstateerd.

Surveillance wilde vogels
In het kader van surveillance aviaire influenza onder wilde vogels onderzocht CVI 203 vogels. Bij één ervan werd een laagpathogene vogelgriep-stam aangetoond.  

Tularemie
In het kader van een monitoringsprogramma van het Ministerie van EZ onderzocht CVI in samenwerking met Dutch Wildlife Health Centre (DWHC) via passieve surveillance hazen op de aanwezigheid van de bacterie Francisella tularensis, de veroorzaker van tularemie. Van de totaal 41 onderzochte hazen scoorde er één positief op deze bacterie.