Nieuws

Ingrale aanpak bij reductiepotentie van methaan en ammoniak is essentieel

article_published_on_label
4 februari 2022

De melkveehouderij staat voor de opgave om een belangrijke bijdrage te leveren aan de emissiereductie van methaan en ammoniak in Nederland. Een integrale aanpak moet er voor zorgen dat de reductie hand en hand gaat met werkbare maatregelen in de praktijk. Onderzoekers van Wageningen Livestock Research hebben op vijf bedrijven binnen het project Koeien & Kansen-bedrijven voermaatregelen getoetst op effectiviteit en werkbaarheid.

De resultaten van dit onderzoek zijn gebundeld in het rapport: Praktijkimplementatie CH4 en NH3 reductie via voerspoor – praktijkrapport 2021 Voerstrategieën om de methaan- en ammoniakemissie te reduceren in de melkveehouderij.

Het onderzoek richtte zich op de technische aspecten van het implementeren van reductiemaatregelen binnen het bedrijfsmanagement. In 2020 is het prototype van het voerspoor gestart door op vijf bedrijven specifieke voerstrategieën te implementeren, door te meten en te evalueren. Het jaar daarop het onderzoek uitgebreid met 5 nieuwe bedrijven.

In 2021 is gekeken welke vervolgstappen de deelnemers [HMd1]kunnen nemen en naar de mogelijkheden om maatregelen jaarrond toe te passen. Met behulp van de rekenregels in de Kringloopwijzer zijn berekeningen gemaakt voor bedrijfsspecifieke situaties met betrekking tot de methaan- en ammoniakemissie. Met deze berekeningen zijn samen met de veehouder en voeradviseur voerstrategieën ontwikkeld en is de methaanreductiepotentie berekend. Deze voerstrategieën zijn geïmplementeerd op de deelnemende melkveebedrijven en onderzocht op effectiviteit en werkbaarheid in de praktijk. De methaanemissie van individuele koeien is hiervoor gemeten met behulp van de GreenFeed. De GreenFeed is een aangepast krachtvoerstation dat methaan- en koolstofdioxide meet uit de ademlucht van koeien als zij deze bezoeken. Er is zowel voor, tijdens, als na het implementeren van de voerstrategie methaan gemeten.

Toegepaste maatregelen

  • Het verlagen van de emissiefactor (EF, in g CH4 per kg DS) van het totale rantsoen door de EF te verlagen van:

    • aangekocht krachtvoer (al dan niet door het vetgehalte in het krachtvoer te verhogen).
    • aangekochte voedermiddelen en bijproducten (door producten met een hoge EF te vervangen door producten met een lage EF).
  • Het verhogen van het vetgehalte van het rantsoen door toevoegen van extra vet.
  • Het aanpassen van de onderlinge verhouding en/of de selectie van de ruwvoeders (op basis van de EF van die producten).

Met de toepassen van deze genoemde maatregelen lukt het net als in 2020 niet om het einddoel van een reductie van 30% te realiseren. Toch lag op alle deelnemende bedrijven de TAN excretie (indicator voor ammoniakemissie) lager dan het Nederlandse gemiddelde. Op twee bedrijven werd het doel van 30 % TAN reductie gerealiseerd, terwijl op twee andere bedrijven 20% TAN reductie werd gehaald ten opzicht van het Nederlandse gemiddelde volgens de KringloopWijzer-dataset van 2018.

Modelberekeningen

Naast het ontwikkelen en implementeren van concrete voerstrategieën, zijn voor drie van de vijf bedrijven scenariostudies uitgevoerd. Deze bedrijven hadden volgens de Kringloopwijzer (2020) gemiddeld al een 8 tot 20% lagere methaanemissie uit pensfermentatie dan het Nederlands gemiddelde, In de scenario’s is ook het effect van het verlagen van de EF van zelf geteelde ruwvoeders meegenomen. De scenariostudies lieten zien dat de emissie met nog eens 10 tot 15% extra zou kunnen dalen als alle mogelijkheden (inclusief verlagen EF van ruwvoeders) worden ingezet. Met de doorgerekende extra reductie kwam geen van de bedrijven aan het reductiedoel van 30% (ten opzichte van de het Nederlands gemiddelde van 2018), maar een reductie van 25% lijkt volgens de scenariostudies haalbaar.

Sturen op ruwvoerkwaliteit

Voor het realiseren van meer reductie in de toekomst zal het sturen van de ruwvoerkwaliteit naar een lagere emissiefactor vermoedelijk het grootste effect geven. Daarbij is een integrale aanpak essentieel, aangezien de ene maatregel positief uitpakt voor emissiereductie, maar tegelijkertijd een negatieve impact kan hebben op een ander maatschappelijk doel, zoals kringlooplandbouw of eiwit van eigen land. Daarbij speelt natuurlijk ook nog de bedrijfseconomische duurzaamheid een belangrijke rol voor de ondernemer. In dit rapport is de kosteneffectiviteit van deze maatregelen nog niet meegenomen, maar bij een bredere uitrol in de praktijk is het kostenaspect essentieel en vraagt om meer onderzoek.

Dit onderzoek is gefinancierd door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) in het kader van de klimaatopgave en is onderdeel van een groter geheel aan projecten in het programma Integraal Aanpakken van de Klimaat Envelop.