Nieuws

Maisrassen verschillen in stikstofbenutting

Published on
19 augustus 2022

In het werkpakket mais en overige voedergewassen wordt onder andere gekeken naar verschillen in stikstofefficiëntie tussen maisrastypen. Dit is in een eerder nieuwsbericht toegelicht.

In twee datasets van snijmaisrassenproeven (met verschillende opbrengstniveaus), die in de jaren 2019 tot en met 2021 zijn uitgevoerd, is bij een gelijke werkzame stikstofbemesting van 140 kg N per ha, gekeken naar de rasverschillen in stikstofgehalte en in stikstofopname. Hieronder volgen een aantal voorlopige resultaten.

Stikstofgehalte

Bij een gift van 140 kg werkzame stikstof (drijfmest + kunstmest) varieerde de gemiddelde stikstofopname van maisrassen afhankelijk van het opbrengstniveau (groeiomstandigheden, perceel en weer) en het stikstofgehalte tussen 187 en 307 kg stikstof/ha. Het blijkt dat de opbrengst een veel grotere invloed heeft op de stikstofopname dan het stikstofgehalte. In principe neemt het stikstofgehalte bij hogere opbrengsten gering af (verdunning), maar er zijn ook rassen, die een hoge opbrengst met een relatief hoog stikstofgehalte combineren.

Stikstofopname

In de set met een relatief lager opbrengstniveau (16-20 ton ds/ha) varieerde de stikstofopname per ras van 187 tot 218 kg/ha, dus een rasverschil van 30 kg stikstof/ha. In de set met een relatief hoger opbrengstniveau (20-25 ton ds/ha) varieerde de stikstofopname per ras van 236 tot 307 kg/ha, dus een rasverschil van 70 kg stikstof/ha. Het gaat hier om proefveldopbrengsten, maar praktijkopbrengsten liggen gemiddeld in de range 16 tot 20 ton ds/ha, met uitschieters boven de 20 ton. Op praktijkniveau mogen we minimaal rekenen op rasverschillen in stikstofopname van 30 kg/ha.

Na maisteelt blijft een hoeveelheid stikstof achter in de bodem die in de winter kan uitspoelen. Een deel van de reststikstof komt van N-mineralisatie uit de bodem na de bloei van de mais, wanneer de mais nauwelijks meer stikstof opneemt. Een deel komt echter ook uit de opnameperiode. Om de reststikstof na de oogst niet te laten uitspoelen, hebben we de verplichting van een vanggewas. Maar om de kans op uitspoeling verder te verminderen, zijn de geconstateerde rasverschillen zeer interessant. De 30 kg stikstof dat het ene ras meer opneemt dan het andere ras kan zeker niet uitspoelen. Dat wordt geoogst en blijft zo in het systeem. Een belangrijk principe van kringlooplandbouw.

Neemt een geslaagd vanggewas rond 30 kg stikstof per ha op, dan is het effect van het geteelde maisras gelijk of groter. Een vanggewas moet echter nog wel slagen en dat lukt niet elk jaar. Reden te meer om in de toekomst meer rekening te gaan houden met de rasverschillen in stikstofopname.

Eiwitopbrengst

Hoewel mais in de basis geen eiwitgewas is, is er ook gekeken naar rasverschillen in ruw eiwit-opbrengst. Deze ruw eiwit-opbrengst varieerde afhankelijk van opbrengst en ruw eiwitgehalte van 1168 tot 1918 kg/ha. Het ras effect varieerde tussen 195 en 440 kg/ha. Ga je uit van een grassnede van 2.5 ton en 17% eiwit (425kg/ha), dan betekenen de verschillen tussen maisrassen 0.5 tot 1 snede gras. Kijkend naar praktijkopbrengsten van mais, is er in ieder geval een verschil tussen rassen dat gelijk is aan een halve snede gras. Zijn dit relevante verschillen in het kader van 65% zelfvoorzienigheid van eiwit en hoe speelt ruw eiwitgehalte op rantsoenniveau hier doorheen? Geconstateerde rasverschillen in ruw eiwitgehalte bedroeg gemiddeld 15 g/kg ds. Samen met rantsoenspecialisten gaan we de komende maanden kijken naar de juiste interpretatie van de resultaten voor de praktijk.