Project

Noordzeewier als potentiële eiwitbron?

Zeewier wordt vaak genoemd als potentiële eiwitbron voor mens en dier. In dit project is op basis van literatuurstudie onderzocht wat de toekomst van eiwit uit zeewier geteeld in de Noordzee zou kunnen zijn.

Eiwitten in zeewier hebben verschillende functies en bevinden zich op verschillende plekken in het wier. Grofweg kun je onderscheid maken tussen enzymen, glycoproteïnen en eiwitten ingebouwd in fotosystemen. Glycoproteïnen zijn eiwit-suiker-verbindingen die zich in de celwanden bevinden en de celwand stevigheid geven, fotosystemen zijn complexe structuren voor het invangen van licht die gelokaliseerd zijn in de membranen. De enzymen bevinden zich vrij in de cellen, zijn in water oplosbaar en op die manier relatief makkelijk te isoleren, maar dan moet wel eerst het koolhydratennetwerk in de celwand opengebroken worden. Om uit glycoproteïnen en fotosystemen wateroplosbare eiwitten te winnen moeten eiwit-suiker-verbindingen verbroken worden.

Het totale eiwitgehalte in zeewier is variabel zowel binnen als tussen soorten, en afhankelijk van het groeiseizoen. Over het algemeen is het eiwitgehalte in roodwieren het hoogst (7-47% van het drooggewicht), gevolgd door groenwieren (9-26% van het drooggewicht) en bruinwieren (3-15% van het drooggewicht). Op dit moment wordt de zeewiersoort Saccharina latissima (suikerwier) het meeste geteeld in de Noordzee. S. latissima behoort tot de groep van de bruinwieren en groeit bij voorkeur bij een lage lichtintensiteit en lage temperaturen. Daarom is in de Nederlandse regio de winter het belangrijkste groeiseizoen.

In de uitgevoerde literatuurstudie zijn schattingen gemaakt van de Nederlandse situatie wat betreft productiekosten en productie-areaal, rendement en rendementsverwachtingen door toekomstige innovaties, de marktgrootte van producten en de huidige marktwaarde, de verwachte effecten in de markt door de ontwikkelingen op het gebied van alternatieve eiwitten, en het op de markt brengen van grote volumes van producten op basis van teelt op de Noordzee. Op basis van deze schattingen, trekken de onderzoekers de volgende conclusies:

  1. Verwacht wordt dat Noordzee-zeewier niet snel een vervanger zal zijn van soja in de diervoedingsketen omdat de offshore productiekosten en processingskosten op dit moment veel hoger zijn dan de productie- en processingskosten van soja. Daarbij speelt ook dat het eiwitgehalte in zeewier ten opzichte van soja veel lager is en de technologie om eiwitten op milde wijze te extraheren nog ontwikkeld moeten worden. Het voeren van vers of gedroogd intact zeewier heeft weinig voedingswaarde voor landbouwhuisdieren.
  2. De onderzoekers verwachten dat eiwitten uit Noordzee-zeewier voor humane consumptie meer perspectief kan bieden. Er is echter nog veel ontwikkeling nodig om eiwitextractie technologisch en economisch haalbaar te maken. Vooral het ontsluiten van eiwit uit de zeewiermatrix behoeft nieuwe enzymen en methoden, zeker als dit intacte eiwitten dienen te zijn met gewenste functionaliteiten bij het structureren van (nieuwe) voedingsproducten. Het zal een zeer grote uitdaging zijn om hier een rendabele business van te maken die kan concurreren met bestaande eiwitproducten in de markt en nieuwe duurzame eiwitconcentraten die in ontwikkeling zijn. Daarnaast is het stabiliseren van het vers geoogste zeewier of een tussenproduct een logistieke uitdaging waarvoor nog veel onderzoek nodig is. Dit onderzoek dient o.a. gericht te zijn op het borgen van de veiligheid, nutritionele waarde en de kwaliteit van het product, inclusief het opzetten van een kwaliteitsborgingsysteem.
  3. De onderzoekers verwachten dat een combinatie van markten kansrijk(er) kan zijn. latissima wordt nu al gebruikt als grondstof voor de productie van hydrocolloïden (alginaat) en fermenteerbare suikers. Het restproduct dat achterblijft zou als substraat kunnen dienen voor eiwitextractie indien de juiste extractietechnieken beschikbaar zijn (zie 2). Economische berekeningen laten zien dat de kostprijs van zeewierteelt op de Noordzee voor de alginaat-markt op dit moment nog te hoog is voor een rendabele situatie maar dat een combinatie met andere afzetmarkten perspectief kan bieden. Dit geldt ook voor het gezamenlijk opwerken van hydrocolloïden en eiwitten op basis van milde processingstrategieën die mogelijke producten met nieuwe functionaliteiten opleveren die op dit moment nog niet in kaart zijn gebracht.
  4. Een alternatieve combinatie van markten betreft de productie van biostimulanten uit zeewier. Ook hierbij kan er een restproduct ontstaan die benut kan worden als substraat voor eiwitextractie. De vraag bij de biostimulantmarkt is vooral hoe deze zich zal ontwikkelen en of de teelt van zeewier op de Noordzee kan concurreren met de huidige producten die gebaseerd zijn op wildoogst.

Output: Wat is de toekomst voor eiwit uit Noordzee zeewier? Een literatuurstudie.

Publicaties