Project

De oorworm in de bodemfase

Perenbladvlo is de belangrijkste plaag in de Nederlandse perenteelt. Het beheer van natuurlijke vijanden waaronder oorwormen speelt een belangrijke rol in de preventie en bestrijding van perenbladvlo. De aanwezigheid van oorwormen verschilt sterk in de Nederlandse perenboomgaarden.

Het onderzoek in dit publiek-private samenwerkingsproject leidt tot nieuwe kennis over de levenswijze en voedselbehoefte van jonge oorwormen. Met deze kennis kan schade aan bomen en vruchten door de perenbladvlo worden voorkomen en kan de afhankelijkheid van chemische gewasbeschermingsmiddelen worden verminderd. Ook draagt het project bij aan een grotere biodiversiteit in de boomgaard.

Doelen

              Perenbladvlo            

Doel van dit project is de perenbladvlo tot een beheersbare plaag te maken door de aanwezigheid van oorwormen in boomgaarden te stimuleren. Hiervoor wordt fundamentele kennis verzameld over factoren die het succes van de oorwormen in de bodemfase (november tot april) bepalen. Dit moet ertoe leiden dat:

De oorwormen niet alleen overwinteren in de boomgaard, maar ook voldoende goede omstandigheden hebben waardoor ze zich succesvol zullen voortplanten.

We beschikken over kennis over wat de jonge oorwormen eten in de periode dat ze in het vroege voorjaar in een nest in de grond zitten én waar zij dit voedsel vandaan halen.

Aanpak

Het onderzoek bestaat uit vier stappen:

  1. Het ontwikkelen van een DNA-techniek om systematisch het dieet via de maaginhoud van jonge oorwormen vast te stellen. Ook het foerageergedrag van de moeder oorworm tijdens de bodemfase wordt onderzocht. Met nachtcameras wordt het gedrag van de oorwormen vastgelegd.
  2. Het onderzoeken van het effect van verschillende diëten op de groei en overleving van de jonge oorwormen. Hiervoor worden oorwormen onder gecontroleerde omstandigheden in kunstmatige nesten gehouden. Potentieel belangrijke voedselbronnen (zoals bodemmijten en springstaarten) worden in verschillende hoeveelheden aangeboden en daarna wordt het aantal succesvol grootgebrachte jonge oorwormen in beeld gebracht.
  3. Het onderzoeken van de beschikbaarheid van geschikt voedsel in Nederlandse boomgaarden. Hiervoor worden bodemmonsters geanalyseerd op bodemorganismen, die als voedsel voor de jonge oorwormen zouden kunnen dienen. Op dezelfde plekken wordt ook de oorwormdichtheid gemeten.
  4. Onderzoeken welke factoren de voedselbeschikbaarheid in de bodem van de boomgaard bepalen: welke factoren hebben een positief of negatief effect op de voor de oorworm geschikte prooien en hoe kan de hoeveelheid prooien worden bevorderd.
Resultaten
  • Er is een gevalideerde DNA-techniek beschikbaar om de maaginhoud van oorwormen vast te stellen. Het is duidelijk wat jonge oorwormen in de bodemfase eten en wat het effect daarvan is op de groei en de overleving.
  • Het is bekend welk voedsel wanneer beschikbaar is in de Nederlandse boomgaarden en hoe dat tussen boomgaarden varieert.
  • Fruittelers hebben instrumenten waarmee ze de het bodemleven kunnen beïnvloeden.

Publicaties