Fight Flu-project

Project

Fight Flu-project

De uitbraken van het vogelgriepvirus H5N8 in Europa laten zien dat wilde vogels een belangrijke rol spelen in het verspreiden en overdragen van vogelgriep. Het Fight Flu-project richt zich daarom op het onderzoeken van nieuwe methoden om de mate van contact tussen wilde vogels en pluimvee te identificeren en kwantificeren.

Het is bekend dat pluimveebedrijven mét uitloop een hogere kans hebben besmet te raken met vogelgriep dan pluimvee-bedrijven zonder uitloop. Om contact tussen de wilde vogels en pluimvee te voorkomen, werd in november in Nederland de ophokplicht ingevoerd. We weten echter nog altijd niet hoe de overdracht van het vogelgriepvirus van wilde vogels naar pluimvee precies verloopt.

Mate van contact

Met het Fight Flu-project willen we uiteindelijk ook inzicht krijgen in welke preventieve maatregelen effectief zijn in het voorkomen van insleep van het vogelgriepvirus op pluimveebedrijven.

Het lijkt misschien dat vogelgriep vaak voorkomt, maar een ziekte die ‘maar’ een paar keer per jaar opsteekt is lastig te onderzoeken omdat er te weinig gevallen zijn. In het Fight Flu-project onderzoeken we daarom de mate van overdracht van E. coli-bacteriën en andere microbiota (het geheel aan bacteriën in de darm) van wilde vogels naar pluimvee.

Overdracht darmbacteriën

Het grote voordeel van E.coli en andere darmbacteriën: elke wilde vogel en elke kip heeft ze in hun darmen zitten. De verwachting is, wanneer er (in)direct contact is tussen wilde vogels en pluimvee, dat een deel van die darmbacteriën wordt overgedragen. Omdat vogelgriep waarschijnlijk op dezelfde manier wordt overgedragen, kan de overdracht van darmbacteriën mogelijk worden gezien als voorspeller voor vogelgriepoverdracht. Om erachter te komen of dit een bruikbare methode is, verzamelen we mestmonsters van kippen en analyseren we die met moleculaire technieken.

De verwachting is dat als er veel contact is tussen wilde vogels en pluimvee, we specifieke patronen in de samenstelling van darmbacteriën kunnen herkennen in zowel de mest van wilde vogels als die van pluimvee. Deze specifieke patronen kunnen een soort indicator zijn voor het contact dat kippen hebben met ‘buiten’ en wilde vogels.

Meerdere fasen

Het project bestaat uit een aantal fasen. In de eerste fase kijken we of er een verschil is in de samenstelling van darmbacteriën van kippen van pluimveebedrijven met en zonder uitloop. We zijn daarom, na opheffing van de ophokplicht, begonnen met het volgen van vier pluimveebedrijven: twee mét uitloop en twee zonder. De kippen op de bedrijven met uitloop waren tot dan toe nog nooit naar buiten geweest. Daardoor kunnen we tegelijkertijd bekijken welk effect het naar buiten gaan heeft op de samenstelling van de bacteriën in de mest.

In een volgend stadium willen we ook kijken naar welke wilde vogels zich rondom uitloopbedrijven bevinden en hoe de mest van deze wilde vogels is samengesteld. Het geheel aan informatie gebruiken we dan voor het bouwen van een contact- en transmissienetwerk tussen wilde vogels en pluimvee, waarmee we inzicht krijgen in de risico’s van insleep van vogelgriep op een bedrijf. Uiteindelijk zal deze methode niet alleen inzicht geven in de risico’s op insleep van vogelgriep, maar kan het ook dienen als maat voor het biosecurity-niveau op een bedrijf. Zo hoeven we niet te wachten op een nieuwe vogelgriepuitbraak, maar kunnen we gerichter op zoek naar preventieve maatregelen.