Project

Het belang van dode dieren in de natuur

Hoe verloopt de afbraak van dode dieren (“aas”) in natuurgebieden? Welke voedingsstoffen liggen in dode dieren opgeslagen? En in welke mate bepalen de aanwezige aaseters, zoals raven en vossen, hoe deze voedingsstoffen worden gerecycled? Deze vragen staan centraal in het promotieonderzoek van Elke Wenting.

Stelt u zich voor: een dier gaat dood in het bos. Wat gebeurt er dan? Het wordt opgegeten of het ontbindt. Verrassend genoeg weten we nog erg weinig over wat er dan precies gebeurt. We weten dat dode dieren een positief effect hebben op biodiversiteit, omdat zij een belangrijke voedselbron zijn voor veel andere dieren (“aaseters”). Voorbeelden van aaseters zijn vogels (zoals raven en gieren), zoogdieren (zoals vossen) en insecten (waaronder veel kevers en vliegen). Maar waarom zijn dode dieren zo’n geliefde voedselbron? In hoeverre bepalen aaseters de manier waarop dode dieren ontbinden? En wat gebeurt er met dode dieren als belangrijke aaseters ontbreken?

De “aas”-wedstrijd

Alle levende wezens bestaan uit voedingsstoffen, zoals vitaminen en mineralen. Deze voedingsstoffen zijn nodig voor het opbouwen van het lichaam en het instant houden van alle levensfuncties. Dieren verzamelen de benodigde voedingsstoffen gedurende hun hele leven. Op het moment dat een dier sterft, komen de voedingsstoffen die in het lichaam liggen opgeslagen, in één keer beschikbaar voor aaseters. Op dat moment begint er een wedstrijd tussen aaseters en microben (bijvoorbeeld bacteriën).

De microben willen graag het aas opeten, net zoals de aaseters. Maar deze microben zijn veel trager dan de aaseters. Daarom hebben microben andere middelen nodig om zich het aas toe te eigenen. Het idee is dat ze proberen het aas zo walgelijk en giftig mogelijk te maken voor de aaseters, zodat de aaseters niet meer geïnteresseerd zijn. Als de aaseters een dood dier snel genoeg kunnen vinden, kunnen zij het opeten voordat de microben het aas hebben bedorven. Dan “winnen” de aaseters. Maar als de aaseters te laat zijn, is het aas al bedorven voor ze het kunnen vinden en dan “winnen” de microben.

Wij denken dat de kringloop van de voedingsstoffen die in een dood dier liggen opgeslagen sneller verloopt als zowel dode dieren en aaseters in de natuur algemeen voorkomen. En dat er uiteindelijk, als gevolg van deze snellere kringloop, meer verschillende dieren en planten - en dus meer biodiversiteit - in een natuurgebied kunnen leven. Elke Wenting onderzoekt of deze ideeën kloppen.

Experimenteel onderzoek

Tijdens dit onderzoek bestudeert Elke Wenting op welke manier aaseters in natuurgebieden bepalen hoe dode dieren worden afgebroken. Daartoe doet zij verschillende experimenten. Zo gaat ze verschillende categorieën aaseters systematisch de toegang tot een dood dier ontnemen: zoals alle zoogdieren, alle vogels, alle insecten, etc. Ze volgt het afbraakproces met behulp van wildcamera’s en door regelmatige bodembemonstering. Zo meet ze wat er met de voedingsstoffen gebeurt.

De uitkomsten van dit onderzoek zullen meer inzicht geven in de impact van wildbeheer op de kringloop van voedingsstoffen. Ook geeft dit nieuwe inzichten in de manier waarop - en waarom - dode dieren kunnen bijdragen aan biodiversiteit.

Zie ook

Nederlands Dagblad

Radio-interview Buitengewoon, Omroep Gelderland

29|9|2019 Nature Today: Dood doet Veluwse natuur leven

Financiering

Dit project wordt gefinancierd door: Graduate School for Production Ecology & Resource Conservation

In veel natuurgebieden zijn dode dieren schaars. Dat heeft een negatief effect op de dieren die van aas profiteren (“aaseters”).
In veel natuurgebieden zijn dode dieren schaars. Dat heeft een negatief effect op de dieren die van aas profiteren (“aaseters”).
Bart Beekers (ARK Natuurontwikkeling) en Elke Wenting bij de restanten van een paard in Nationaal Park Zuid-Kennemerland.
Bart Beekers (ARK Natuurontwikkeling) en Elke Wenting bij de restanten van een paard in Nationaal Park Zuid-Kennemerland.