schaap met zogend lam

Project

Monitoring scrapiegevoeligheid

Dit project heeft betrekking op de bestrijding van klassieke scrapie bij schapen. Bij schapen is er sprake van een genetische resistentie tegen klassieke scrapie gebaseerd op polymorfismen van het PrP (prioneiwit) gen. Inmiddels zijn meer dan 56 polymorfismen van het gen bekend.

Doelstelling en plan van aanpak

Met name het zogenaamde ARR/ARR genotype is het meest resistente genotype voor klassieke scrapie. Het nationale fokprogramma, dat op vrijwillige basis startte in 1998, verplicht werd gesteld in 2004 en vanaf juni 2007 weer vrijwillig is, vormt de pijler van de scrapie bestrijding in Nederland en is gebaseerd op het gebruik van ARR/ARR rammen voor de fokkerij. Deze strategie zal moeten leiden tot een jaarlijkse toename van het aantal scrapie-ongevoelige genotypen in de Nederlandse schapenstapel en daaraan gepaard een afname van het aantal vastgestelde klassieke scrapiegevallen.

Het doel van dit project is het monitoren van de prioneiwit-genotypenverdeling van een representatieve steekproef van schapen uit de door de EU verplicht gestelde actieve surveillance voor TSE’s. Deze steekproef geeft een betrouwbaar beeld van de Nederlandse schapenstapel. Door het vervolgen in de tijd van de prevalentie van resistente en gevoelige prioneiwit genotypen in Nederland en aan de hand van de gegevens uit de actieve surveillance van scrapie bij schapen in Nederland wordt een analyse gemaakt over de voortgang van het nationale scrapie bestrijdingsprogramma en de effecten hiervan op het voorkomen van scrapie.

Resultaten

De gegevens van de jaarlijkse (2005-2012) vastgestelde genotypenverdeling zijn geanalyseerd in relatie tot de prevalentie van klassieke scrapie in (dezelfde) steekproef van op scrapie geteste dieren. Het aanvankelijk vrijwillig fokken, later nationaal verplicht en daarna weer vrijwillig gesteld fokken met homozygoot resistente (ARR/ARR) rammen heeft ertoe geleid dat de klassieke scrapie prevalentie in Nederland gedurende de jaren sterk is afgenomen van meer dan 2/1000 in 2004 tot 0/1000 in 2012. Deze daling is vrijwel uitsluitend toe te schrijven aan het fokprogramma; de bijdrage van de bestrijdingsmaatregelen (het partieel ruimen van besmette kuddes) aan de daling van de prevalentie is van ondergeschikte betekenis gebleken.
Er is een vrijwel lineaire relatie tussen de jaarlijkse toename van het ARR allel percentage van 2005 t/m 2012 en de afname van de klassieke scrapie prevalentie 2005-2012. Het ARR allel percentage is gestegen van 37,5% in 2005 naar 67,3% in 2012, een gemiddelde stijging van 4,3% per jaar. Het percentage meest resistente (ARR/ARR) + resistente (ARR/ARQ,ARR/ARH en ARR/AHQ) schapen is gestegen van 52,8% in 2005 naar 83,3% in 2012, een gemiddelde toename van 4,35% per jaar. Bij deze genotypen zijn in Nederland nog nooit gevallen van klassieke scrapie vastgesteld.
Het project is beëindigd per 31-12-2012; de werkzaamheden zullen worden voortgezet in het project TSE’s (WOT-01-002-001.01).