Project

NUE in kool

Koolsoorten zijn gewassen die veel stikstof vragen. Zowel telers als koolveredelaars geven aan dat koolrassen verschillen in stikstofbehoefte en in vermogen om onder (stikstof )-stress omstandigheden (al of niet door droogte) door te groeien (stikstofplasticiteit). Resultaten van biologisch rassenonderzoek witte en rode kool van Louis Bolk Instituut bevestigen deze ervaringen (Lammerts van Bueren et al., 2004), en evenals een biologische broccolirassen proef van 2011. Maar de problematiek geldt ook voor de gangbare koolteelt.

Voor de gerichte veredeling op stikstofefficiëntie is kennis nodig over de achterliggende (genetische en fysiologische) mechanismen voor stikstofefficiëntie en -plasticiteit en succesvolle selectiemethoden. Een goed overzicht van de bestaande kennis over deze onderwerpen en analyse tot welke aanknopingspunten dat kan leiden, ontbreekt op dit moment. Er is wel veel agronomisch onderzoek (o.a. rassenonderzoek en bemestingsonderzoek naar stikstofrespons bij brassica’s) gedaan aan kool, maar de vraag hoe je kan selecteren op genotypen die met weinig stikstof toe kunnen is nog niet gedaan.

Doelstelling

Door middel van literatuuronderzoek en interviews met experts (bv gewasfysiologen dr. J.Vos en Dr. Kristian Thorup Kristensen-Copenhagen University, DK) willen we kennis met betrekking tot diverse Brassica’s samenbrengen over:

  • relevante planteigenschappen die mogelijk een rol spelen bij stikstofefficiency en stikstofrespons
  • bewortelingsonderzoek
  • stikstofefficiëntie en –plasticiteit, en interactie met droogtestress,
  • achterliggende fysiologische mechanismen.

Resultaten

Voorlopige resultaten:

  • Er zijn meer dan 50 papers in literatuur nagetrokken.
  • K.Thorup-Kristensen: stikstofefficientie (NUE) is niet alleen een eigenschap van een plan,t maar van een systeem (tijdstip, kwaliteit van bemesting, vruchtopvolging). Dus we hebben ook gegevens van kool-teeltsysteem beschreven.
  • Bemesting van sluitkool in NL is in de gangbaar teelt erg hoog: 220-330 kg N/ha.
  • Bemesting in de bio-teelt is een groot probleem voor bio-telers; veel grasklaver en luzerne als voorvruchten.
  • Koolgewassen kunnen in principe diep wortelen en in staat (bij 'lage' bemesting 160kgN/ha) alle beschikbare N op te nemen, maar weinig is bekend in literatuur over rasverschillen in beworteling; bio-telers ervaren grote rasverschillen in N-behoefte. Vraag of je nog verbetering kan nastreven in beworteling? Telers en veredelaars zeggen: ja!
  • Telers en veredelaars zien graag een gewas met veel omblad dat behalve voor bodembedekking en -vochtregeling, ook voor voldoende fotosynthese-apparaat moet zorgen voor de te vormen kool die grotendeels niet mee kan doen met fotosynthese door de ingesloten bladvorming.
  • Aanvankelijk sterven veel ombladeren af omdat N nodig is voor nieuw te vormen bladeren, maar als kool gevormd gaat worden (augustus) dan moet gewas investeren in duur van de ombladeren.
  • Er is veel bekend over gewasfysiologie met betrekking tot nitraataccumulatie en -reductase-activiteiten, de vraag is dan nog of je moet veredelen op hoog nitraatreductasecapaciteit of laag nitraatgehalte in blad?
  • Met name vermogen tot hoge nitraat reductaseactiviteit correleert positief met N-opname vermogen, maar zijn ook erg gevoelig voor N-bemesting.
  • Vraag is of je moet veredelen op hoge N-opname bij laag N-aanbod of op hoge gebruiksefficientie en wat is rol van lage temperaturen tijdens de teelt. Is tolerantie tegen lage temperaturen ook van belang voor N-opnamevermogen?

Publicaties