Overleving van platvis en rog in de pulsvisserij

Project

Overleving van platvis en rog in de pulsvisserij

Hoeveel van de te kleine vis die wordt gevangen overleeft het proces van terugzetten in zee? En kun je die overlevingskans verhogen?

In het Gemeenschappelijke Visserijbeleid is een zogenaamde aanlandplicht. De aanlandplicht betekent dat vissers hun ongewenste bijvangsten van te kleine (ondermaatse) vis van soorten waarvoor zij een vangstquotum hebben, aan land moeten brengen. De Europese Commissie wil met deze maatregel vissers stimuleren deze ongewenste bijvangst te verminderen. Voor gequoteerde soorten die een hoge overlevingskans hebben (en die na het terugzetten in zee in theorie weer kunnen bijdragen aan de groei van het visbestand), kunnen de lidstaten een ontheffing op de aanlandplicht aanvragen.

Het project ‘Overleving van platvis en rog in de Noordzeevisserij’ verzamelt de wetenschappelijke informatie die nodig is om een ontheffingsverzoek te onderbouwen. Het project bestaat uit twee hoofdonderdelen:

  1. Wat is de overlevingskans van tong, schol, tarbot, griet en stekelrog?
  2. Hoe kan de overlevingskans verhoogd worden door veranderingen in de verwerking aan boord en de manier van vissen?

Wat is de overlevingskans van tong, schol, tarbot, griet en stekelrog?

Wageningen Marine Research heeft in 2015 onderzoek gedaan naar overleving van platvis in de pulsvisserij (visserij op platvis waarbij de traditionele wekkerkettingen in het boomkortuig zijn vervangen door elektrische prikkels). De resultaten uit dit eerste onderzoek laten zien dat van de gevangen ondermaatse schol gemiddeld 15% overleeft en van de tong 29%. Geschat wordt dat 16% van de schar overleeft nadat deze overboord is gezet. Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van een internationale gestandaardiseerde methode.

Dit onderzoek wordt nu vervolgd om meer inzicht te krijgen in de factoren die de overleving van ondermaatse platvis bepalen. Ook wordt gekeken of het werken met een scoresysteem voor ‘vitaliteit’* van de vis na de vangst een geschikte en meer kosten-efficiënte manier is voor het schatten van de overlevingskansen. Daarnaast wordt het onderzoek uitgebreid met drie nieuwe soorten: tarbot, griet en stekelrog.

Vergroten van de overlevingskans

pieke overleving in Yerseke.JPG

Uit het eerdere onderzoek blijkt dat het tijdsinterval tussen het aan boord komen van schol en tong en het moment waarop de vis verwerkt wordt, van invloed lijkt te zijn op de overlevingskans: hoe sneller de vis verwerkt wordt, hoe groter de overlevingskans. Ook heeft het verwerkingsproces zélf een negatief effect op de overleving. De overlevingskans van vissen die aan het begin van het verwerkingsproces uit de stortbak verzameld werden, was namelijk hoger dan de overlevingskans van de vissen die net voor de stortkoker, aan het einde van het verwerkingsproces verzameld werden. Het moet dus mogelijk zijn om door aanpassingen in het vangst- en verwerkingsproces aan boord de overleving te verhogen.

In dit nieuwe project wordt gekeken of aanpassingen in het vangst- en verwerkingsproces de overlevingskans daadwerkelijk verhogen. Tijdens elke onderzoekreis wordt aan een kant van het schip volgens de gangbare praktijk gewerkt en aan de andere kant op aangepaste wijze gevist of verwerkt (afhankelijk van de verbetermaatregel). De aangepaste manier van vissen of verwerken is gericht op het verhogen van de overleving van de ondermaatse vis.

Voor het project is een vergunning afgegeven op grond van de Wet op de Dierproeven. Het project wordt mede gefinancierd met een bijdrage uit het Europese Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij.

* Dit doen we voor alle vijf de soorten