Schapen en lam

Project

SBV Vector competence

De plotselinge uitbraak en verspreiding van het Schmallenberg virus in 2012 heeft veel sterfte veroorzaakt onder lammeren en kalveren. Ook voor andere Europese landen, zoals Duitsland, Engeland, Denemarken, Frankrijk en Spanje, zijn vergelijkbare cijfers bekend. Dit heeft tot grote economische schade geleid, als ook veel emotionele schade aangericht bij veehouders. Na ontdekking van het Schmallenbergvirus als veroorzaker van dit ziekte- en sterftebeeld, is de hypothese opgeworpen dat het virus door bloedzuigende insecten, zoals muggen en knutten kan worden overgebracht.

Doelstellingen project

Het doel van deze proef is om onomstotelijk aan te tonen dat het Schmallenberg virus wordt overgedragen tussen wild-gevangen en experimenteel geinfecteerde knuttensoorten (geslacht Culicoides) en ongeinfecteerde schapen. Hiermee wordt het bewijs geleverd dat Culicoides soorten die in en rond Nederlandse boerderijen voorkomen de daadwerkelijke ‘vectoren’ zijn van het Schmallenberg virus.

Aanpak en tijdspad

Deze proef wordt uitgevoerd in het kader van een door DG-SANCO gefinancierd onderzoek aan de overdracht van het Schmallenberg virus (SBV) bij schapen. Het Centraal Veterinair Instituut te Lelystad is hierbij hoofdaanvrager. Een vergelijkbare studie is in 2008 gedaan door Baylis et al. met het blauwtongvirus. Naast het testen van de overdracht van het virus van knut naar schaap, wordt de efficientie van overdracht van schaap naar knut bepaald.
In het eerste onderdeel van de proef zal één individueel schaap worden blootgesteld aan bloedzuigende knutten. Deze knutten zijn op dat moment niet geïnfecteerd. Het doel van dit onderdeel is om de procedures van het tweede en derde onderdeel te kunnen verfijnen. Het gaat daarbij om het vaststellen van de meest geschikte plek op het lichaam van de schaap om een groep met knutten te laten bloedzuigen. Ook kan hierbij de tijdsduur worden vastgesteld die knutten nodig hebben om zich volledig vol te zuigen met bloed.
In het tweede onderdeel, zullen twee groepen van vijf dieren gebruikt worden. De eerste groep zal worden geinfecteerd met SBV door middel van blootstelling aan geinfecteerde knutten. De tweede groep zal worden geinfecteerd door subcutane en intradermale injectie. Voor het derde onderdeel, waarbij virusoverdracht van schaap naar knut wordt bestudeerd, zullen geen extra dieren benodigd zijn, omdat de procedures ‘meeliften’ op het tweede onderdeel.

Resultaten (beoogd)

Rapport voor de opdrachtgever DG Sanco (Brussel) en Ministerie van EZ.