Groningen

Project

SWOT-analyse POP3

In dit project maken we een SWOT-analyse van de plattelandssituatie in Nederland, die kan worden gebruikt voor het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP3). Volgens de aanwijzingen van de Europese Commissie moet de SWOT worden gestructureerd aan de hand van de zes prioriteiten van het EU-plattelandsbeleid.

De  Europese Commissie schrijft voor dat er in het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 een

analysis of the situation in terms of strengths, weaknesses, opportunities and threats (hereinafter "SWOT") and identification of the needs that have to be addressed in the geographical area covered by the programme and, where relevant, by the thematic sub-programmes referred to in Article 8. The analysis shall be structured around the Union priorities for rural development. Specific needs concerning the environment, climate change mitigation and adaptation and innovation shall be assessed across Union priorities for rural development, in view of identifying relevant responses in these two areas at the level of each priority dient te worden opgenomen.

Deze analyse kan kortweg worden aangeduid als ‘SWOT-analyse POP3’.

Resultaten

Uit de analyse van de sociaal-economische indicatoren in de verschillende groepen van COROP-gebieden komt naar voren dat de sociaal-economische verschillen tussen de groepen van COROP-gebieden beperkt zijn en dat de indicatoren voor alle groepen dusdanige waarden hebben dat ze vooralsnog geen aanleiding geven tot grote bezorgdheid over de sociaal-economische ontwikkeling.

Ook komt naar voren dat de daling van het aantal landbouwbedrijven niet leidt niet tot grote werkloosheid: voor zover arbeid uit de landbouwsector wordt gestoten, wordt die vrij gemakkelijk geabsorbeerd door de overige economische sectoren.

Uit onze indeling van dynamische, gemiddelde en achterblijvende regio’s blijkt wel dat sommige regio’s beter scoren qua werkgelegenheidsgroei dan andere: de achterblijvende regio’s vormen dan ook de potentiële zorgenkindjes. Het gaat daarbij met name om Oost-Groningen, Delfzijl en omgeving en Zeeuwsch Vlaanderen. Tot eenzelfde conclusie kwamen Terluin et al. (2005) ook al toen zij een soortgelijke analyse uitvoerden van de ontwikkeling van de Nederlandse plattelandseconomie in de jaren 1990-2002.

Verder blijkt uit de cijfers dat de landbouwsector een relatief kleine economische sector is geworden. In de in minder verstedelijkte regio’s heeft 1 op de 20 werkende mensen een baan in de landbouw. De overige economische sectoren vormen de ruggengraat van de economie.