Op zoek naar adviezen voor voeding en leefstijl bij darmkanker

Longread

Op zoek naar adviezen voor voeding en leefstijl bij darmkanker

8 minuten

Kunnen voeding en leefstijl invloed hebben op het ziekteverloop bij dikkedarmkanker? Dat moet blijken uit onder andere de COLON studie, een wetenschappelijk onderzoek van Wageningen University & Research. Prof. dr. Ellen Kampman is hoogleraar Voeding en Ziekte en initiator van deze studie. Zij vertelt over het onderzoek en over de eerste uitkomsten.

Er blijkt een sterk verband te zijn tussen leefstijl en het ontstaan van darmkanker. Kampman: ‘Ongeveer 50% van de diagnoses is te voorkomen door meer beweging en een gezonde voeding. De kans op darmkanker is namelijk groter als je overgewicht hebt, alcohol drinkt, weinig beweegt, weinig voedingsvezels binnenkrijgt en veel rood en bewerkt vlees eet. De volgende vraag is dan: gelden adviezen voor gezonde voeding en meer beweging ook voor mensen bij wie de diagnose darmkanker al gesteld is? Om daar een goed onderbouwd antwoord op te kunnen geven, zijn we in 2010 gestart met de COLON studie.’

In de COLON studie worden patiënten met dikkedarmkanker gevolgd. COLON staat voor “Colorectaal kanker: Observationele, LONgitudinale studie”. Daarnaast is colon een ander woord voor dikke darm. Observationeel betekent dat er alleen metingen worden gedaan, er wordt niets veranderd aan de voeding of leefstijl. Longitudinaal betekent dat de deelnemers gevolgd worden in de tijd. Kampman: ‘In dit onderzoek kijken we of voeding en leefstijl een rol spelen tijdens en na de ziekte. We hebben het eerste contact met de patiënten kort na het stellen van de diagnose en we vragen ze om gedurende vijf jaar op verschillende tijdstippen vragenlijsten in te vullen en wat bloed af te staan. We gebruiken hiervoor verschillende vragenlijsten: een algemene met onder andere vragen over lengte, gewicht, medicijngebruik, lichamelijke beweging en medische geschiedenis, een uitgebreide voedselvragenlijst, een lijst met vragen over het gebruik van supplementen en een vragenlijst over de kwaliteit van leven. Zo hopen we uiteindelijk een beeld te krijgen van factoren die onder andere samenhangen met de kans op overleven. We verzamelen informatie bij ongeveer 2500 dikkedarmkanker patiënten uit verschillende ziekenhuizen. Inmiddels zijn de eerste resultaten van het onderzoek bekend.’

shutterstock_59498605.jpg

Diagnose kanker

Kampman: ‘Jaarlijks wordt bij bijna 120.000 mensen in Nederland de diagnose kanker gesteld. Ongeveer 60% van de patiënten is nog in leven vijf jaar na de diagnose. In Nederland leven zo’n 600.000 mensen die kanker hebben of hebben gehad. Het is bekend dat mensen die ooit kanker hebben gehad, een grotere kans hebben op het terugkeren van kanker. Daarnaast lopen ze ook een hoger risico op het krijgen van diabetes en hart- en vaatziekten. Wij onderzoeken met welke gerichte leefstijladviezen we de kans op die ziekten, en ook op de terugkeer van kanker, kunnen verkleinen. Kijken we naar dikkedarmkanker dan zijn er jaarlijks bijna 15.000 mensen in Nederland die te horen krijgen dat ze deze vorm van kanker hebben. Dikkedarmkanker staat op de derde plaats van meest voorkomende kankersoorten in Nederland, na borstkanker (vrouwen) of prostaatkanker (mannen) en huidkanker. Gelukkig is de ziekte goed te behandelen en afhankelijk van het stadium waarin de tumor ontdekt wordt, is de kans op overleven groot. Wie geneest, heeft nog een lang leven voor zich. Liefst natuurlijk zo gezond en gelukkig mogelijk.’

Bewegen na de operatie

Kampman en haar collega’s vroegen zich voor de COLON studie onder andere af of extra bewegen het fysiek herstel na de operatie zou bevorderen. ‘Daarbij realiseren we ons dat het leven van darmkankerpatiënten die een operatie en eventueel verdere behandeling zoals chemo- en of radiotherapie ondergaan, meestal ingrijpend verandert. Patiënten zijn vaak heel moe, ze hebben een wond en ook psychisch doet zo’n diagnose natuurlijk veel. Voor veel mensen is het lastig zich ertoe te zetten meer te bewegen.’ In de COLON studie is onder andere gevraagd naar lichamelijke activiteiten voor en na het verwijderen van de tumor. Hoeveel tijd wandelden, fietsten en tuinierden ze bijvoorbeeld per week? Kampman: ‘Uit de antwoorden blijkt dat 46% van de ondervraagde patiënten na 6 maanden fysiek weer hersteld was van de operatie. De patiënten die na de operatie meer waren gaan bewegen dan voorheen hadden meer kans op herstel ten opzichte van de patiënten die hun fysieke activiteiten na de operatie niet veranderden. Opvallend is dat het helemaal niet uitmaakt of patiënten voor de operatie ook fysiek actief waren. Als ze hun beweging maar opvoerden.’

shutterstock_482410624.jpg

Terug op oude gewicht

Ook naar het gewicht van darmkankerpatiënten is gekeken. Dat gebeurde eerder in internationale onderzoeken, maar meestal werd dan gefocust op gewichtsverandering na de diagnose. Hierdoor leek het of mensen alleen maar aankwamen terwijl de gewichtstoename waarschijnlijk een compensatie is voor een eerdere gewichtsafname. Alleen maar aankomen is weer nadelig voor bijvoorbeeld de kans op het ontwikkelen van hart- en vaatziekten. In de COLON studie vroegen de onderzoekers de patiënten naar hun gewicht twee jaar voor en na de diagnose. 'Gemiddeld verloren patiënten voor de diagnose wat gewicht. Twee jaar na de diagnose waren ze weer terug op het oude niveau.'

Vervolg onderzoek zal deze resultaten moeten bevestigen voordat hier conclusies aan kunnen worden verbonden. ‘Het is wel belangrijk om het gewicht goed in de gaten te houden en ook te kijken naar de verhoudingen van onder andere vet en spieren in het lichaam. We zagen dat als het vetgehalte stijgt en de spiermassa afneemt, dit bijvoorbeeld zorgt voor meer vermoeidheid. Bij mensen met kanker zorgt de tumor vaak voor spierverlies door eiwitafbraak en dat willen we dus juist voorkomen. Bewegen helpt om voldoende spiermassa te houden.’

Gemiddeld verloren patiënten voor de diagnose wat gewicht. Twee jaar na de diagnose waren ze weer terug op het oude niveau
Ellen Kampman, hoogleraar Voeding en Ziekte

Hoog vetgehalte in spiercellen

Vet in spiercellen blijkt ook een belangrijke factor te zijn voor de overlevingskans. Uit talloze internationale studies blijkt een relatie tussen een verlaging van de spiermassa (sarcopenie) en een hogere sterfte van kankerpatiënten. Meestal gaat het om mensen bij wie de ziekte al in een verder gevorderd stadium is. Uit de COLON studie blijkt nu dat een relatief hoog gehalte aan vet in de spiercellen ook samenhangt met een lagere overlevingskans van mensen bij wie in een (relatief) vróeg stadium darmkanker geconstateerd is. Kampman: ‘Van de deelnemers met een hoog vetgehalte in de spieren bij de diagnose stierf 40%. Van de deelnemers met een normaal vetgehalte stierf slechts 15% gedurende de looptijd van de studie.’ Kampman en haar collega’s willen de komende jaren uitzoeken welke factoren bepalen of iemand een hoog vetgehalte in de spieren heeft. Is dat te wijten aan een bepaald voedingspatroon, aan gebrek aan beweging of beide? Ook willen ze kijken of dit vetgehalte na de diagnose nog is te verlagen via een dieet of een sportprogramma.

Meer informatie uit het onderzoek

Uit de langlopende COLON studie waar veel mensen aan deelnemen, is nog veel meer interessante informatie te halen. Kampman licht toe: ‘We kijken bijvoorbeeld ook naar het vitamine D-gehalte in het bloed. We weten dat dit laag is bij mensen bij wie de diagnose darmkanker wordt gesteld. Vitamine D is een vitamine dat het lichaam kan aanmaken onder invloed van zonlicht. Wat we nog niet weten is of het vitamine D-gehalte gedaald is doordat mensen een tumor hebben of dat een darmtumor sneller ontstaat bij mensen met een laag gehalte aan vitamine D in hun bloed. We weten niet wat oorzaak en wat gevolg is. Dat kunnen we in deze studie bekijken. We kunnen zien of het gehalte van vitamine D in het bloed na therapie nog verder daalt en we vragen ons ook af of het weer stijgt als de tumor weg is zonder dat mensen er een vitamine D supplement voor slikken.’

In de COLON studie wordt ook gekeken naar verschillende B vitaminen en dan met name naar het gehalte aan vitamine B11 (foliumzuur) in het bloed. Kampman: ‘Zo is er mogelijk een verband tussen het foliumzuurgehalte en de werking van chemotherapie. Is het inderdaad zo dat bepaalde vitamines in het lichaam bepalen hoe effectief de chemotherapie is? We proberen het allemaal uit te zoeken.’

Motivatie

Als er specifieke richtlijnen zijn, wil dat nog niet zeggen dat kankerpatiënten daar naar leven. ‘In deze COLON studie zien wij dat mensen gemiddeld genomen niet gezonder gaan leven als ze kanker hebben gehad en ook andere onderzoeken laten dat zien’, aldus Kampman. Ze verwachtte juist dat mensen getriggerd zouden worden om gezonder te gaan leven. ‘In gesprekken die we met patiënten hadden, blijkt juist dat ze een gezonde leefstijl niet per se belangrijk vinden. Ze willen vooral dat hun leven prettig en gezellig is en vinden dat belangrijker dan bijvoorbeeld stoppen met roken en gezonder gaan eten. Het is dus belangrijk om patiënten te laten zien dat gezond ook lekker en gezellig kan zijn. Van de gezonde keuze moeten we een makkelijke en lekkere keuze maken, met bijvoorbeeld lekkere recepten van gerechten die je eenvoudig kunt maken.’

In deze COLON studie zien wij dat mensen gemiddeld genomen niet gezonder gaan leven als ze kanker hebben gehad en ook andere onderzoeken laten dat zien.
Ellen Kampman, hoogleraar Voeding en Ziekte

Volgens Kampman hoeft het advies om meer te gaan bewegen, niet te gaan over fitness doen in een sportschool. ‘Als iemand graag wandelt, fietst, stijldanst of tuiniert, is het veel slimmer én leuker, om dat op te pakken. De moestuinprojecten bij het kankerinloopcentrum in Ede zijn een goed voorbeeld. (Ex)patiënten werken daar in de moestuin; ze zijn samen, maar zitten niet in een therapiegroep. Voor veel mensen werkt dat goed. Ze zijn buiten, in beweging, ze hoeven hun omgeving niet continu te vertellen hoe akelig de behandeling was, maar kunnen wel dingen delen met elkaar terwijl ze samen naar de opkomende oogst kijken. Dat is mooi!’

shutterstock_600939137.jpg

Richtlijnen voor patiënten

Alle onderzoeken hebben één doel: mensen met darmkanker zo goed mogelijk adviseren. Kampman: ‘Nu gebruiken we voor de preventie van kanker de Richtlijnen voor Kankerpreventie van het World Cancer Research Fund/American Institute for Cancer Research. Die richtlijnen zijn opgesteld voor gezonde mensen om het risico op kanker zo laag mogelijk te houden. We vragen ons af of je die adviezen ook moet geven aan mensen die darmkanker hebben? Misschien moeten voor hen de richtlijnen wel aangescherpt worden of zijn specifiekere richtlijnen nodig. Ik kan me voorstellen dat er, vanwege spierverlies, geadviseerd gaat worden dat meer eiwitten nodig zijn en wellicht komt er ook een advies welke specifieke eiwitten dan het beste zijn. En hebben darmkankerpatiënten bijvoorbeeld extra vitamine D nodig om de ziekte zo goed mogelijk door te komen?’

Dat er behoefte is aan specifieke adviezen blijkt wel uit de vragen die binnenkomen via de website www.voedingenkankerinfo.nl. Kampman: ‘Mensen vragen daar bijvoorbeeld of ze geelwortel moeten gebruiken tijdens therapie of dat een koolhydraatbeperkt dieet geschikt is. Ook gaan er veel verhalen rond dat je bij een bepaalde chemotherapie beter vetrijk kunt eten of dat je juist beter kunt vasten omdat je dan minder last hebt van de bijwerkingen en de behandeling beter aanslaat. Die vragen en meningen triggeren ons als onderzoekers. We willen graag antwoorden hebben, zodat er adviezen gegeven kunnen worden die wetenschappelijk onderbouwd zijn. Er is dus nog genoeg te onderzoeken!’