Nieuws

Benutting van stikstof en fosfaat op melkveebedrijven is verder op te voeren

Gepubliceerd op
27 november 2013

Belangrijke meststoffen stikstof en fosfaat komen vaak in overschot op akkers en weiden terecht en kunnen zo het grond- en oppervlaktewater verontreinigen. Bovendien doet het verlies van deze kostbare meststoffen een aanslag op het inkomen van de melkveehouder. In het project Koeien & Kansen geven twee promovendi van Wageningen University, onderdeel van Wageningen UR, aan hoe de meststoffen beter zijn te benutten, terwijl de opbrengst niet zakt.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw was de hoeveelheid van de meststoffen stikstof (N) en fosfor (P) aangevoerd op melkveebedrijven respectievelijk 568 en 50 kg/hectare. Deze meststoffen werden via de koemest of via kunstmest op het land gebracht. De afvoer van het land in de vorm van melk en vlees bedroeg resp. 81 kg stikstof (14 %) en 17 kg fosfor (34 %). Het enorme verschil, namelijk 487 kg stikstof en 33 kg fosfor, verdween in het milieu. Niet alleen was dat bedreigend voor grond- en oppervlaktewater, maar ook zonde, want mineralen zijn een kostbaar goed.

Onderzoek op De Marke

Het onderzoek op proefbedrijf De Marke van Wageningen UR samen met zestien praktijkbedrijven, moest daar met financiële steun van het ministerie van Economische Zaken, de standsorganisatie LTO en van het Productschap Zuivel verandering in brengen. Op De Marke gelden milieunormen als  randvoorwaarden voor de melkproductie, terwijl dit voor een commercieel melkveebedrijf andersom is.

Aanpassingen in bedrijfsvoering

De onderzoekers stelden van 2000 tot 2011 een bedrijfsvoering in die ze na evaluatie telkens aanpasten. Daartoe letten zij op de gehele cyclus: vee dat mest produceert, die vervolgens in de bodem wordt verwerkt en door het gewas wordt opgenomen dat daarna weer als veevoer dient. Op deze manier verlaten mineralen via vlees en melk de cyclus, evenals via mestafvoer. Mineralen komen in  de cyclus door extra ruw- en krachtvoer, dat aan het vee wordt gevoerd en kunstmesttoediening op het grasland en akkergrond. Ongewenst is het verlaten van mineralen uit de cyclus naar het grondwater of de bodem in de vorm van bijvoorbeeld ammonium, fosfaat, nitraat en lachgas. 

20131126_figuur_StikstofkringloopMelkveebedrijf_VerloopenOenema.png

Koeienmest in plaats van kunstmest

Tussentijds namen de onderzoekers een aantal maatregelen om ongewenste lekkages van mineralen te beperken. Zo gebruikten zij in toenemende mate koeienmest in plaats van kunstmest, zijn minder kalveren aangehouden op het bedrijf en graasden de koeien korter in de wei. Ook kreeg het melkvee minder krachtvoer en werd de maisoogst gevolgd door een zogenaamd vanggewas in de winter, zodat ook in die periode opname van stikstof en fosfaat door gewassen mogelijk werd. De bemesting met stikstof kunstmest werd geheel gestopt. De jongste maatregel betrof het raffineren van mest. Zo wist De Marke gras en maïs te produceren met een veel lagere aanvoer van kunstmest. De benutting van de mineralen – waar het allemaal om was begonnen – steeg bij stikstof naar 43%; een forse winst als wordt bedacht dat het landelijke gemiddelde in de jaren tachtig nog 14% was.

Koeien en Kansen

De ervaringen en resultaten van aanpassingen in de bedrijfsvoering worden tussen de zestien deelnemende melkveehouders met elkaar gedeeld en met hun collega’s in het land. Het project ‘Koeien & Kansen’ vormt zo een brugfunctie in de keten van onderzoek en kennisverspreiding tussen theorie en praktijk. De onderzoekers stellen dat per bedrijf de situatie apart moet worden bekeken voor een verhoging van de efficiëntie.

Opmerkelijke vooruitgang

Tijdens het project steeg de stikstofgebruiksefficiëntie van de zestien Koeien & Kansen-bedrijven naar 40%. Voor fosfor realiseren de Koeien & Kansen-bedrijven nu een gebruiksefficiëntie van meer dan 80%, terwijl het nationale gemiddelde slechts 34% was in de jaren tachtig; de bodem P balans is bijna nul. Een opmerkelijke vooruitgang en prestatie. Een uitdaging voor de toekomst is het verlagen van de broeikasgasemissies door onder andere het verbeteren van de voerkwaliteit.

Dit onderzoek op De Marke en met de zestien praktijkbedrijven is uitgevoerd door de onderzoekers Koos Verloop en Jouke Oenema, beiden werkzaam bij Plant Research International, onderdeel van Wageningen UR. Zij promoveerden deze maand bij prof. Martin van Ittersum, hoogleraar Plantaardige productiesystemen aan Wageningen University.