Bijen en buisje

Project

De bijenverdwijnziekte

De mogelijke relatie tussen elektromagnetische velden en de 'bijenverdwijnziekte' is onderzocht in opdracht van de Wetenschapswinkel.

Aanleiding

Halverwege de jaren ‘90 is het GSM-netwerk en rond 2005 het UMTS-netwerk in Nederland uitgerold. Hiermee is de blootstelling van de Nederlandse bevolking en het ecosysteem aan radiofrequente elektromagnetische velden (RF EMV) anders van karakter geworden. Onbekend is of blootstelling aan dit soort hoogfrequente elektromagnetische velden in biologische effecten kan resulteren.

Het laatste decennium is er een toename van sterfte van honingbijenvolken, vooral tijdens de winter. Deze sterfte van honingbijenvolken kent een grote publieke belangstelling, vooral voor het vermeende 'mysterieuze verdwijnen' van bijen uit de kast. Deze zogenaamde ‘bijenverdwijnziekte’ wordt in de publieke opinie soms in verband gebracht met de toename van elektromagnetische velden. Elektromagnetische velden, en dan vooral velden in het GSM en vooral UMTS-spectrum, zouden een negatieve invloed hebben op de reproductie, de ontwikkeling en de navigatie van honingbijen.

Onderzoeksvraag

Vanuit bovengeschetste zorg heeft het Nationaal Platform Stralingsrisico's de Wetenschapswinkel benaderd met het verzoek naar een onderzoek naar de mogelijke relatie tussen elektromagnetische velden en de 'bijenverdwijnziekte'. Deze vraag is vertaald in de volgende onderzoeksvraag: Hebben radiofrequente elektromagnetische velden (UMTS, GSM) een effect op de larvale ontwikkeling, vliegcapaciteit, oriëntatievluchten en individuele overleving van honingbijen bij blootstelling van bijenvolken in het veld?

Onderzoeksopzet

Om de mogelijke effecten van EMV op bijen te toetsen, zouden bijen uit volken op locaties met een hoge veldsterkte vergeleken kunnen worden met bijen uit volken op locaties met lage veldsterkten. In de praktijk is dit niet uitvoerbaar, omdat twee aldus gekozen locaties op méér dan alleen maar de veldsterkte zullen verschillen (denk aan foerageermogelijkheden, parasietenbelasting, blootstelling aan pesticiden en dergelijke). Daarom is er voor gekozen om op één locatie te werken, en daarbij tien bijenvolken niet en tien bijenvolken wél af te schermen tegen elektromagnetische velden. Uiteraard heeft dit alleen maar effect op bijen die de kast nog niet verlaten, jonge bijen en de voorstadia ei, larve en pop dus. Immers: bijen uit de afgeschermde en niet afgeschermde groep ondervinden dezelfde blootstelling zodra ze zich buiten de kast begeven. Een extra onderbouwing voor de keuze van één locatie is dat de veronderstelde effecten op reproductie, ontwikkeling en leervermogen (o.m. nodig bij navigatie) al in het juveniele stadium aangrijpen.

Resultaten

Het bleek dat de bijen zich van ei tot larve en van larve tot pop even goed ontwikkelden. We namen dat waar door op dag 1 een stuk van de raat met net gelegde eitjes te fotograferen, en dat zelfde stuk raat een week later opnieuw te fotograferen. Als het goed gaat ligt in het celletje met eerder een ei dan een larve, en nog een week later een pop (onder een dekseltje). Als het niet goed is gegaan is het celletje leeggemaakt door de verzorgende bijen, die alle niet goede larven weghalen.

Op de dag dat jonge bijen uitkomen uit hun celletje waarin ze als pop zitten, hebben we ze gemarkeerd met een stip acrylverf op hun rug, en ze daarna in een ‘gastvolk’ overgezet. In dat zelfde gastvolk werden bijen uit de plastic en uit de metalen Faraday kooi gezet (met een verschillende kleur stip). Vervolgens keken we regelmatig in dat gastvolk hoeveel we van elke kleur nog zagen, hoeveel er nog leefden dus. Het bleek dat de bijen, opgegroeid met of zonder elektromagnetische velden, even lang leefden. Dat geeft ook aan dat deze bijen waarschijnlijk geen verminderd oriëntatievermogen hadden, want dan zouden ze sneller zijn ‘verdwenen’.

Op dezelfde manier hebben we gemarkeerde bijen in een gastvolk gezet en dat volk naar Oostenrijk gebracht. Daar is toen de bijen ongeveer 20 dagen was hun vliegvermogen getest. Dat gebeurt in een carrousel die draait op de vliegactiviteit van de bij. Er bleek geen verschil in vliegvermogen te zijn.

Tenslotte hebben we ook gekeken hoeveel van de 10 volken in elke kooi het volgende voorjaar nog leefden: daar bleek wel een verschil, de volken zonder elektromagnetische velden overleefden de winter beter. Alleen: we konden dat in deze opzet niet toetsen, omdat we maar 1 kooi met en 1 kooi zonder hadden. Voor de zekerheid moet dat daarom nog een keer worden getest.

De kooi van Faraday

Kook van faraday.jpg

Om de bijenvolken af te schermen van elektromagnetische velden, zijn ze in een Faraday-kooi geplaatst. Die kooi was uitgevoerd in dubbelwandig RVS gaas. De overige volken stonden in een controlekooi uitgevoerd in dubbelwandig polyestergaas. Omdat binnen de kooi alle signalen verdwijnen in de ruis, is het niet mogelijk om de demping van de kooi exact te berekenen. Wel hebben vastgesteld dat de demping minimaal een factor 400 (52 dB) is voor GSM, en minimaal een factor 64 (36 dB) voor UMTS. Ruim voldoende om er voor te zorgen dat er vanuit de Faraday-kooi niet meer gebeld kan worden - en dat op zo'n 230 meter van de zendmast!

Samenwerking

Een praktijkonderzoek van zelfs deze minimale omvang is duur. Het is daarom niet alleen gefinancierd door de Wetenschapswinkel, maar ook voor een aanzienlijk deel door het programma Elektromagnetische Velden & Gezondheid van ZonMw.

Het onderzoek is niet alleen duur, maar het is ook complex. Voor het onderzoek is kennis uit drie domeinen nodig: bijen, elektromagnetische velden en ecotoxicologie. Daarom bestaat de onderzoeksgroep uit onderzoekers van Plant Research International (onderdeel van Wageningen UR), van de Universiteit Graz (Oostenrijk), van het CML Institute for Environmental Sciences (onderdeel van Universiteit Leiden) en diverse stralingsexperts.