Project

De verandering van het klimaat in Nederlandse steden

Tijdens de hittegolf van 2003 stierven er in Nederland 1400-2400 mensen meer dan gemiddeld.

Voor heel Europa wordt de extra sterfte in 2003 geschat op 70.000 mensen (EEA Report No 4/2008 Impacts of Europe's changing climate). De slachtoffers vielen vooral in de steden, waar de gevolgen van de klimaatverandering extra voelbaar zijn. Met welke maatregelen kunnen de negatieve gevolgen van klimaatverandering voor het stadsklimaat beperkt worden? Zeker voor Nederland is die vraag lastig te beantwoorden. Want, in tegenstelling tot een groot aantal andere landen, werd er in Nederland tot voor kort geen onderzoek.

De doelstelling van het onderzoek Klimaat in de stedelijke omgeving is de ontwikkeling van een modelinstrumentarium voor de simulatie van het stadsklimaat waarmee:

  • De impact van een toekomstig klimaat op het klimaat in de stad kan worden vastgesteld;
  • De effectiviteit van beoogde adaptatiemaatregelen kan worden doorgerekend.

UHI-effect

In steden zijn die gevolgen van de klimaatverandering extra voelbaar door het zogeheten Urban Heat Island effect (UHI): in de nachtelijke uren een gemiddeld hogere temperatuur in een stedelijk gebied dan in het omliggende gebied. Bij helder en kalm weer zijn ’s nachts temperatuurverschillen van 3-5 °C normaal, maar verschillen van 8-10 °C worden ook waargenomen. Een belangrijke oorzaak is de sterke opwarming van oppervlakken en materialen in stedelijk gebieden. Warmteproductie door verkeer en bedrijvigheid en verminderde afkoeling doordat vegetatie en open water schaars zijn, zijn andere factoren die bijdragen aan het UHI-effect. Bovendien zorgt de stedelijke geometrie voor een hogere 'invang' van zonnestraling, terwijl door de kleinere ‘sky view factor’ de thermische uitstraling geringer is dan in het open veld.

Klimaatbestendige steden

Er zijn al veel adaptatiemaatregelen voorgesteld om de negatieve gevolgen van klimaatverandering voor het stadsklimaat te beperken, zowel voor de ruimtelijke ordening (meer groen en water, oriëntatie en dichtheid van bebouwing) als voor eigenschappen van gebouwen. Daarbij kunnen maatregelen op microschaal gevolgen hebben voor maatregelen op lokale of meso-schaal. Zo heeft het gebruik van bouwmaterialen met een hogere reflectie van zonnestraling (hogere albedo) een direct invloed op het microklimaat, maar kan het ook een effect hebben op het lokale klimaat. Omgekeerd kunnen maatregelen in de ruimtelijke ordening om de natuurlijke ventilatie van een stadsdeel te verbeteren, een effect hebben op wijk- en straatniveau.

Effectiviteit

De effectiviteit van adaptatiemaatregelen is veelal nog niet bewezen of gekwantificeerd. Daarvoor is kennis van meteorologische processen onontbeerlijk, op de verschillende schaalniveaus (micro, lokaal, meso) en de bijbehorende verticale schalen van Urban Canopy Layer (leefniveau) naar atmosferische grenslaag boven de stad. Het onderzoeksproject staat dan ook voor de beantwoording van heel wat vragen:

  • Hoe is het stadsklimaat te monitoren?
  • Hoe groot is het UHI-effect in de steden en verschillende regio's in Nederland? Zijn er verbanden met de omvang van het stedelijke gebied, het soort bebouwing, de oriëntatie van de bebouwing en de windrichting?
  • Wat is het effect van de verstedelijking en klimaatverandering op het UHI-effect? Zijn er historische data beschikbaar hierover, wellicht bij weeramateurs? Zijn er trends waarneembaar?
  • Wat is de effectiviteit van de beoogde adaptatiemaatregelen? Afzonderlijk of in combinatie? Zijn er integrale oplossingen mogelijk voor hittestress, luchtverontreiniging en watertekort of -overlast?

Groter onderzoek

Het project Klimaat in de stedelijke omgeving is onderdeel van de nationale onderzoeksprogramma's naar klimaatverandering, zoals Klimaat voor Ruimte, het projectencluster Klimaat in de Stad en Kennis voor Klimaat.