Project

Detectie van migratiepatronen en barrières voor (genetische) uitwisseling

Door de genetische verschillen tussen individuen en tussen populaties op verschillende geografische locaties in kaart te brengen, kan men een beeld krijgen van historische migratiepatronen.

Recente ontwikkelingen op het gebied van de landschaps-genetica en –genomica, maken het mogelijk om vanuit zulke ruimtelijke verschillen de mate van genetische uitwisseling tussen groepen individuen te berekenen. Deze technieken kunnen we gebruiken om ruimtelijke beheerseenheden af te bakenen (groepen individuen die beheerd kunnen worden als een enkele populatie), of het effect van mogelijke infrastructurele barrières voor (genetische) uitwisseling te bepalen, zoals (snel)wegen, spoorwegen of nieuwe bebouwing. Op deze manier kan genetische analyse bijvoorbeeld helpen bij het nemen van beslissingen over de aanleg van dure mitigerende maatregelen, zoals ecoducten. Dit type onderzoek hebben we recent voor een aantal wilde diersoorten uitgevoerd, waaronder de Boommarter, het Wild zwijn, de Zandhagedis en verschillende bedreigde paddensoorten.

Op een grotere ruimtelijke schaal kunnen de historische verspreidingsroutes van soorten door Europa worden bepaald. Door dergelijke fylogenetische studies uit te voeren voor Nederlandse boomsoorten, kunnen we beter inschatten welke opstanden wel of niet autochtoon zijn. Dit maakt een efficiënte bescherming van genetische bronnen mogelijk.

Voorbeelden van detectie van migratiepatronen en barrières voor (genetische) uitwisseling

Verspreiding en herkomst van wilde zwijnen in Limburg

wildzwijn.PNG

Ondanks een actief afschotbeleid komt het wild zwijn (Sus scrofa) ook buiten de officieel vastgestelde leefgebieden, op de Veluwe (Gelderland) en in de Meinweg (Limburg), in toenemende aantallen voor. In opdracht van de Provincie Limburg voert Wageningen Environmental Research (Alterra) een populatie-genetische studie uit om na te gaan wat de bronpopulaties zijn van deze zwijnen, in hoeverre de nieuwe populaties vanuit genetisch oogpunt levensvatbaar zijn en in hoeverre actieve uitwisseling tussen populaties plaatsvindt. Migratieroutes en eventuele barrières voor migratie worden in kaart gebracht.


Detectie van autochtone eiken-opstanden

eikenblad.PNG

Autochtoon plantenmateriaal is waardevol voor herbebossingsprojecten. Eikenbossen zijn nog altijd talrijk in Nederland, maar hun historie was lang onduidelijk. In een grote Europese studie zijn de verspreidingspatronen en ruimtelijke genetische verschillen van de Europese eiken onderzocht. Sinds de laatste ijstijd migreerden eiken noordwaarts vanuit relictpopulaties (refugia) in Zuid-Europa. Onderzoek liet zien dat dit langs drie belangrijke routes plaatsvond: een oostelijke route vanuit Turkije, een centrale route vanuit Italië, en een westelijke route vanuit Spanje. De Nederlandse eiken kwamen grotendeels binnen via de westelijke route. Echter, slechts een paar opstanden blijken volledig te bestaan uit materiaal van deze westelijke lijn. Veel populaties bevatten inmiddels een mix van materiaal van gevarieerde herkomst. Deze bevindingen maakten het mogelijk om een aantal autochtone opstanden te identificeren, waaruit zaad gewonnen kan worden.