De dekschilden zijn metaalachtig groen met kleine witte vlekjes (foto: C. Bystrowski).

Eikenprachtkever

De Eikenprachtkever Agrilus biguttatus heeft als volwassen kever een slank lichaam met een lengte van 8 - 13 mm. De kop is hoekig en ligt diep in het borststuk verzonken. De ogen zijn vrij groot.

De larve heeft een ivoorwitte kleur en is vrij plat en sterk gesegmenteerd. De kop ligt onder het halsschild dat lichtbruin van kleur is en breder dan de rest van het lichaam. Aan het eind van het achterlijf zitten twee minuscuul kleine zwarte tangetjes.

Een volwassen larve is ca 20 - 50 mm lang (foto: Alterra / A. van Frankenhuyzen).
Een volwassen larve is ca 20 - 50 mm lang (foto: Alterra / A. van Frankenhuyzen).

Levenswijze

De kevers vliegen van medio juni tot medio juli. In deze periode worden de eitjes in kleine groepjes op de zuidzijde van de stam van inlandse eiken in de schorsspleten afgezet. De larven maken gangen achter de bast. De gangen van jonge larven zijn hooguit 1 - 2 mm breed en die van de oudere larven tot ongeveer 3,5 mm. De gangen zijn gevuld met boormeel. De jonge larven boren verticaal op de stam lopende gangen. In een later stadium verlopen de gangen zigzaggend horizontaal, dus dwars op de stam. Hierdoor wordt de boom geringd en treedt er sterfte op. De larve overwintert een of tweemaal in een holte in de bast. Daar vindt ook de verpopping plaats. De jonge kevers vreten een uitvlieggat dat typisch halfcirkelvormig of D-vormig is.

Boven: oude verlaten larvengangen en D-vormige uitvlieggaatjes (foto's Leen Moraal).
Boven: oude verlaten larvengangen en D-vormige uitvlieggaatjes (foto's Leen Moraal).
Boven: oude verlaten larvengangen en D-vormige uitvlieggaatjes (foto's Leen Moraal).

Een larvengang kan een lengte van ongeveer 1 m bereiken. De gangen zijn vooral in het onderste deel van de stam meestal aan de zuidwestzijde van de boom te vinden. Op plaatsen waar de jonge larven zich bij vitale bomen inboren, kunnen in de bast kleine tot handbrede, zwarte afgestorven plekken ontstaan met slijmuittreding. Mogelijke verwarring - jonge gangen kunnen lijken op die van de Eikenspintkever Scolytus intricatus. Oudere gangen kunnen worden verward met die van boktorren (Cerambycidae).

De kever is secundair schadelijk, dat betekent dat verzwakte bomen kunnen worden aangetast. Hier slagen de larven erin om meterslange gangen te maken waardoor de boom wordt geringd en afsterft. De verzwakking kan zijn ontstaan door herhaalde bladvraat van bijvoorbeeld de Kleine wintervlinder Operophtera brumata of door vernatting op keileemlagen. De kever is in Nederland zeer algemeen aanwezig. Als preventie tegen de warmteminnende kever wordt aanbevolen de eiken in gesloten opstanden of met een hoog opgaande struiklaag te laten opgroeien. Plotselinge vrijstelling van bomen kan licht en warmte in de opstand brengen en daardoor de kever in de kaart spelen.

Relatie vernatting en Eikenprachtkever

Uit het onderzoek zijn sterke aanwijzingen gekomen dat de gezondheidsverslechtering van de eiken vooral samenhangt met verdroging of juist vernatting. Zowel verdroging als vernatting kan op een natuurlijke wijze, door klimatologische factoren in samenhang met bodemfactoren, optreden. Daarnaast treedt er, door wateronttrekking, landelijk verdroging op. Daarom wordt de laatste jaren op veel plaatsen een op natuurherstel gericht beleid gevoerd. Sommige beheerders houden het water met stuwtjes in het bos vast. Op andere plaatsen worden de rabatten niet meer onderhouden waardoor de greppels dichtslibben en de waterhuishouding verandert. Uit praktijkgevallen is bekend dat zelfs kleine veranderingen grote gevolgen kunnen hebben. Op gronden met een grondwaterprofiel (een bodem waarin boomwortels constant in contact staan met het grondwater) is het dus zaak na te gaan of er de laatste decennia veranderingen van de waterhuishouding zijn opgetreden. Indien dit het geval is, en het aanemelijk is dat dit ook een oorzaak is voor verzwakking en sterfte van de eiken dan kan worden nagegaan of deze te corrigeren zijn (bijv. het schonen van sloten en greppels). Bij opzettelijke vernatting is het belangrijk deze langzaam door te voeren (liever over 10-20 jaar dan over 5 jaar) tenzij men bossterfte accepteert.

Meer weten?

  • Voor verdere informatie over de levenswijze, aantastingen en herkenning van de eikenprachtkever en over een inventarisatie naar eikensterfte en eventueel te nemen maatregelen, wordt verwezen naar de volgende publikaties:
  • Moraal, L.G., 1997. Eikenprachtkever, Agrilus biguttatus, en eikensterfte: een literatuurstudie over aantastingen, levenswijze en verspreiding. IBN-Rapport 320. 24 pp.
  • Oosterbaan, A., C.A. van den Berg, G.J. Maas & L.G. Moraal. 2001. Eikensterfte in Nederland: omvang en de rol van enkele achterliggende factoren. Alterra-rapport 236. 54 pp. Download dit rapport.