Nieuws

Evaluatie Meststoffenwet 2012

Gepubliceerd op
21 juni 2012

In het kader van de Evaluatie Meststoffenwet 2012 heeft het ministerie van EL&I aan Wageningen UR verzocht een groot aantal vragen op het gebied de van water- en bodemkwaliteit in relatie tot nutriënten, alsmede landbouwkundige effecten en werking van de Meststoffenwet te beantwoorden zoals deze door de ministeries van EL&I en IenM waren opgesteld.

De studie is uitgevoerd door Alterra, LEI (beide onderdeel van Wageningen UR), het RIVM en Deltares. PBL heeft op verzoek van ministerie van EL&I en IenM het syntheserapport voor deze studie geschreven.

koeien

Alterra publiceert vandaag vier van haar rapporten die in het kader van de Evaluatie Meststoffenwet 2012 zijn geschreven. In deze rapporten zijn de bevindingen op het gebied van huidige waterkwaliteit, toekomstige waterkwaliteit en bodemvruchtbaarheid en gewasopbrengsten vastgelegd. Geconcludeerd wordt dat nog niet overal aan de doelstellingen voor waterkwaliteit wordt voldaan, dat de gevolgen van het mestbeleid op de ontwikkeling van de bodemvruchtbaarheid beperkt zijn en dat de bodem- en waterkwaliteit bij continueren van het mestbeleid zoals neergelegd in het huidige (4e) actieprogramma in de toekomst niet sterk meer zal verbeteren.

Waterkwaliteit

In de afgelopen decennia zijn als gevolg van het mestbeleid zowel de grondwaterkwaliteit voor nitraat als de stikstof- en fosforconcentraties in het oppervlaktewater verbeterd. Vooral in periode 1990-2003 daalden de nitraatconcentraties sterk. Momenteel liggen (gemeten in periode 2006-2010) op ongeveer de helft van de meetlocaties de concentraties van mineralen in zowel grond- als oppervlaktewater nog boven de norm. Er zijn grote verschillen tussen regio’s en tussen verschillende bedrijfstypen. De grondwaterkwaliteit in de klei- en veengebieden en bij melkveehouderijbedrijven is beter dan in zand- en lössgebieden en bij hokdierbedrijven. Ongeveer 60% van de diffuse nutriëntenbelasting vanuit de bodem naar het oppervlaktewater wordt door de (jarenlange) bemesting van landbouwgronden beïnvloed. Deze bijdrage is ongeveer een derde deel van de totale nutriëntenbelasting van regionale wateren indien overige bronnen worden betrokken.

Zuidelijke zandgebied

In het Zuidelijke zandgebied is het aantal overschrijdingen van de nitraatnorm het hoogst. De verschillen in nitraatconcentratie die tussen de zandgebieden worden waargenomen zijn grotendeels te verklaren uit verschillen in bedrijfstype of stikstofoverschot, en verschillen in het voorkomen van bodemgebruiksvormen en uitspoelingsgevoelige gronden.

Scenario analyse

De analyses van drie scenario’s waarin niet c.q. in meerdere of mindere mate gekort wordt op gebruiksnormen voor uitspoelingsgevoelige akker- en tuinbouwgewassen geven aan dat de milieukwaliteit van het grond- en oppervlaktewater de komende jaren, ook als gekort zou worden, beperkt zal verbeteren en grotendeels bepaald wordt door na-ijleffecten van het mestbeleid dat de afgelopen jaren is gevoerd.

Bodemvruchtbaarheid en gewasopbrengsten

Er zijn geen aanwijzingen dat de invoering van het gebruiksnormenstelsel in 2006 tot een slechtere bodemvruchtbaarheid heeft geleid. De fosfaattoestand van de bodem blijft stabiel of stijgt. De organische stofgehalten zijn bij de meeste combinaties van grondsoort en gewas stabiel of stijgen. Op maïsland en ander bouwland op zandgrond komen wel situaties met dalende organische stofgehalten voor, maar er is geen aantoonbaar verband met het mestbeleid. De gewasopbrengsten van de grote bouwlandteelten nemen na 2006 toe. Voor grasland was het niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veranderingen van de opbrengsten na 2006.

Meer informatie