Nieuws

Geslaagde alumnibijeenkomst regio Rotterdam op dinsdag 12 november over 'Stadslandbouw'

Gepubliceerd op
21 november 2013

Op dinsdag 12 november kwam de alumnikring regio Den Haag/Rotterdam bij elkaar. Zij waren te gast bij 'Uit je eigen stad' in Rotterdam.

Rondleiding

De rondleiding wordt verzorgd door twee van de drie oprichters van ‘Uit je eigen stad’, Johan Bosman en Bas de Groot. Hoewel de invallende duisternis het zicht beperkt, krijgen wij een goede indruk van het bedrijf. Dat komt mede door de enthousiaste en deskundige toelichting van beide heren. Het bedrijft draait nu circa 1,5 jaar. De financiering was moeizaam. Met kunst- en vliegwerk én eigen geld is het gelukt. De exploitatie is nu 10% uit de productie en 90% de horeca. Daar past wel de kanttekening bij dat de horeca natuurlijk weer afhankelijk is van de stadslandbouw. Mensen komen naar deze voormalige ‘no go area’ juist vanwege het prikkelende idee op een dergelijk – wat troosteloze plek – landbouw te bedrijven. Het gaat dan om groente, kruiden, kippen en, binnenkort, visteelt. De producten worden gebruikt in het eigen restaurant en afgezet bij restaurants in de stad. De productie is feitelijk biologisch maar heeft niet het officiële keurmerk. Dat wordt ook niet nagestreefd. Uit je eigen stad dient op zich al een keurmerk te zijn. Transparantie is daarbij essentieel: laten zien hoe de producten worden geteeld. Er wordt veel geëxperimenteerd om de productie zo biologisch mogelijk te krijgen op basis van gesloten kringlopen. Echter het mag geen onderzoek omwille van het onderzoek zijn. Uiteindelijk dient er een bedrijfsresultaat te zijn. Het streven is een verhouding 20:80 te krijgen tussen productie en horeca.


Presentatie Rosanne Metaal

Deze Wageningen alumna geeft aan dat stadslandbouw in feite al een thema was toen zijn in 1993 afstudeerde. Toen stond het thema biodiversiteit veel meer centraal. Stadslandbouw is volgens haar geen oplossing voor de wereldvoedselproblematiek. Het maakt wel duidelijk hoe belangrijk voedsel voor de stadsbewoners is. Zij haalt hierbij het boekje ‘Hamburgers in het paradijs’ van Louise Fresco aan. In lijn met Louise Fresco geeft Carolyn Steel in haar boek ‘De hongerige stad’ aan dat wij via het voedsel onze steden beter begrijpen: “Food shapes cities”. Zij houdt in haar boek een pleidooi voor een duurzamer voedingsstelsel. Vervolgens geeft Rosanne een definitie van stadslandbouw die de VN hanteert: een industrie die voedsel produceert, verwerkt en verkoopt, voornamelijk als antwoord op de dagelijkse vraag van consumenten in een stad of stedelijke agglomeratie, op land en water verspreid door het stedelijke en stadsnabije gebied, waarbij intensieve productiemethoden worden toegepast, met gebruikmaking van natuurlijke hulpbronnen en stedelijk afval, om een diversiteit aan gewassen en veehouderijen te kunnen realiseren. Met de termen ‘industrie’ en ‘intensieve productiemethoden’ wordt stadslandbouw al duidelijk afgezet tegen het fenomeen ‘volkstuin’. Iets dat later in de discussie wordt geopperd als zijnde een vorm van stadslandbouw. Niet dus. Vervolgens gaat Rosanne in op de verschillende verdienstrategieën in de landbouw. Die zijn te vatten in, differentiatie, diversificatie, en lage kosten van de bedrijfsvoering. Dit zijn strategieën die ook bekend zijn uit de multifunctionele landbouw. Stadslandbouw is dus op zoek naar ‘economies of scope’ aangezien schaalvergroting, dat wil zeggen het zoeken naar ‘economies of scale’, niet mogelijk is. Dat is bittere noodzaak aangezien de bedrijfsvoering van stadslandbouw een alomtegenwoordig probleem is. Daarmee komt Rosanne op één van de mogelijkheden van typering van stadslandbouw. Dat is op basis van financiering. Een andere typering is mogelijk op basis van het ruimtegebruik of de identiteit/uitstraling van stadslandbouw. Vooral de laatste typering roept nog wel eens weerstand op. Zo is ‘Uit je eigen stad’ niet gelukkig met de typering ‘ommuurde productie’. Volgordelijkheid, tijdelijkheid en landbouwgerichtheid zijn weer andere mogelijke factoren die bij de typering van stadslandbouw in beschouwing genomen kunnen worden. Tot slot is de conclusie dat er nog veel te doen is voor het verder ontwikkelen van stadslandbouw. Desalniettemin eindigt Rosanne met de stelling: MENSEN MOETEN AANGEMOEDIGD WORDEN, STADSBOER TE WORDEN.

Presentatie Arnold van der Valk

Hij studeerde af als geograaf aan de UvA en is wetenschappelijk adviseur van het platform ‘Eetbaar Amsterdam’. Zijn interesse in stadlandbouw is vooral gewekt door een sabbatical in New York. Daar gaat hij dan ook uitgebreid op in zijn presentatie met de passende titel ‘Gastropolis: voedsel, planning en landschap’. New York kent een voedselproblematiek met diverse dimensies. Ten eerste is er onvoldoende betaalbaar en gezond voedsel. Er wordt ronduit honger geleden in New York. Ten tweede is er een groot milieuprobleem. De rivier de Hudson was zowat dood door alle vervuiling mede door de landbouw rond New York. Daarnaast is er een groeiend wantrouwen van de consumenten ten aanzien van het voedsel. Schandalen zoals bacteriële besmetting van voedsel, paardenvlees krijgen als je rundvlees koopt en ga zo maar door. De wirwar aan voedsellabels die ontstaan, draagt ook niet echt bij aan het vertrouwen van de consument. De volksgezondheid is ook in het geding waarbij obesitas sterk op de voorgrond staat. Dus terwijl het ene deel van de bevolking ondervoed is, lijdt een ander deel aan vetzucht door te weinig beweging en verkeerd voedsel. En niet in het laatst heeft New York een gigantisch afvalprobleem. Er is sprake van ‘food desserts’ in New York en andere metropolen; voldoende en gezond voedsel is niet bereikbaar door een combinatie van ruimtelijke, sociale en culturele factoren. Zo ontstond er in New York een streven naar een duurzaam locaal voedselsysteem. Overheid en burgers hebben elkaar daarin gevonden wat betreft het veilig stellen van de drinkwatervoorziening van New York. Stroomopwaarts van de Hudson zijn landbouwers uitgekocht om de gangbare landbouw te vervangen door biologische. Dat vereiste wel weer dat er afzet was voor de biologische producten. Daar paste de tendens naar verantwoord voedsel van New Yorkers weer prima in. Bovendien is er een algehele cultuuromslag te merken. Burgers gaan aan de slag met eigen tuintjes en compostering. Educatieve projecten worden opgezet om kinderen weer vertrouwd te maken met landbouw. Ook zijn er initiatieven om de armen te voeden en mensen sterker te maken om voldoende en goed voedsel te ‘eisen’ (empowerment’). Kortom, New Yorkers zijn bewust aan de slag met ‘stadslandbouw’ als wij dat in ruimere zin opvatten dan de eerder gegeven definitie door Rosanne Metaal. De Amerikaanse planologen zien ook een belangrijke opgave voor hen wat betreft ‘stadslandbouw’ met al zijn sociale, culturele, ruimtelijke, en ecologische aspecten. Bij alle euforie in New York passen wel twee kanttekeningen. Ten eerste is berekend dat optimale inzet van stadslandbouw maximaal in 30 tot 40% van de groentebehoefte van New York kan voorzien. En dan is groente nog een gunstige uitzondering. Voor vlees is een dergelijk percentage al ondenkbaar hoog. Ten tweede heeft Arnold geen enkel commercieel succesvol project van stadslandbouw gezien in New York. Stadslandbouw heeft dus in New York niet de vlucht genomen als in sommige Derde Wereld steden. En het valt ook te betwijfelen of dat gaat gebeuren.

Nabespreken en netwerken

Met een prikkelende uitspraak van de dagvoorzitter, Simon Vink, konden wij naar een drankje: is het voor de moderne stadsmens belangrijk voeling te hebben met voedselproductie? Een cruciale vraag in het debat rond stadslandbouw in welvarende landen/steden. En zo te horen werd er vervolgens inderdaad veel besproken onder het genot van een, biologisch, drankje.

Een succesvolle bijeenkomst ging ten einde. Succesvol wat betreft thema, locatie, en de inbreng van alle aanwezigen! Het liet wel een brandende vraag aan de organisatoren; kunnen wij een volgende keer dit succes weer evenaren?! Wij gaan ervoor.