Grote oogstverliezen door virussen beperken

Virussen leiden soms tot opbrengstverliezen van 10 tot 30 procent, zelfs als ze niet eens zichtbaar zijn. Klimaatverandering maakt die verliezen mogelijk nog groter: vanwege nieuwe virussen, nieuwe insecten die virussen overbrengen én een heftiger reactie van de planten. Onderzoekers van Plant Research International bestuderen virussen en hun verspreiders, insecten. Het PRI-onderzoek speelt daarmee in op de gevolgen van klimaatverandering.

Plantenvirussen hebben hulp nodig om zich te verspreiden: een groot aantal maakt gebruik van insecten. Dit betekent dat de boer of tuinder alert moet zijn op bijvoorbeeld witte vliegen of bladluizen die virussen bij zich dragen. Met het warmer worden van het klimaat is bovendien het gevaar reëel dat insecten naar het noorden trekken en nieuwe virusziekten met zich mee brengen.Een berucht virus is het aardappelvirus Y in aardappel dat wordt overgedragen door bladluizen. Infecties met dit virus zijn de laatste tien jaar sterk toegenomen. Hoe het komt dat de besmettingen de laatste tien jaar zijn toegenomen, zoeken onze onderzoekers uit. Binnen Nederland komen honderden verschillende bladluissoorten voor. Elke soort verschilt in de mate waarin die het virus kan overdragen van de ene naar de andere plant. Maar zelfs binnen een bladluissoort (tussen zogenaamde biotypen) zijn er verschillen in virusoverdracht.

Mogelijke toename door klimaatverandering

Onze onderzoekers kijken of klimaatverandering een factor kan zijn in de toename van besmettingen. Door het jaar heen planten bladluizen zich ongeslachtelijk voort doordat het vrouwtje levende jonge vrouwtjes baart. Alleen vlak voor de winter worden er onder invloed van de dalende temperatuur mannetjes geboren zodat geslachtelijke voortplanting kan plaatsvinden. Het vrouwtje legt dan eitjes op bomen waarmee de winterperiode wordt overbrugd. In zachte winters kan het zijn dat er geen mannetjes meer worden geboren. De ongeslachtelijke voortplanting gaat dan ook in de winter door en in het nieuwe jaar zijn er al heel vroeg nakomelingen actief als potentiële virusoverbrenger.
Uitsluitsel over de wijze en het tijdstip waarop het virus wordt overgedragen en de efficiëntie waarmee dat gebeurt, is zeer belangrijk. Dat is de sleutel om uiteindelijk die overdracht te verminderen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen terug te dringen. Begint de boer al met ziek uitgangsmateriaal dan is in korte tijd het hele veld besmet. Vooral in landen waar aardappel een belangrijk voedselgewas is,  zijn de opbrengstverliezen dan ook desastreus.

Andere virussen

Uiteraard kijken de onderzoekers ook naar andere virussen. Zo houden ze het Tomato yellow leaf curl virus in de gaten, dat nu alleen in Zuid-Europa voorkomt, maar naar het noorden op lijkt te rukken. Dit virus veroorzaakt veel schade in tomaat. Hij is tot nu toe pas eenmaal in Nederlandse kassen voorgekomen, maar risico op besmetting neemt wel toe met de klimaatverandering. Het virus lift namelijk mee met een nieuwe soort witte vlieg (de tabakswittevlieg of Bemisia tabaci) die zich onder invloed van het opwarmende klimaat steeds noordelijker verspreidt. Die nieuwe witte vlieg is ook voor vele andere virussen een heel efficiënte drager zodat de kans groot is dat hij ook andere virussen verspreidt.