Bladeren met vele mineergangen van de Paardenkastanjemineermot (foto: Leen Moraal).

Invasie paardenkastanjemineermot in Europa

In 1984 werden in Macedonië aan het meer van Ohrid voor het eerst bladmijnen bij paardenkastanje opgemerkt en werd het motje Cameraria ohridella beschreven. Dit was opmerkelijk omdat bij paardenkastanje geen insectenaantastingen bekend waren.

In de daarop volgende zes jaar heeft het insect geheel Macedonië en Servië gekoloniseerd. In 1989 kwamen meldingen over het voorkomen uit Kroatië en Oostenrijk. Daarna volgden Hongarije en Slovenië. In Tsjechië werd de soort in 1993 in het zuiden gevonden. De eerste berichten van het voorkomen in Duitsland dateren uit 1997 en vondsten in Polen volgden in 1998.

De mineerder is veel eerder dan verwacht in Nederland gearriveerd. In 1999 werd vastgesteld dat op veel plaatsen in Gelderland, Limburg en Noord-Brabant kastanjebladeren met bladmijnen te vinden waren. Ook in Utrecht, Zeeland, en Overijssel werd de soort aangetroffen. Al na een jaar zat de soort in de Insecten Top Tien 1999. De meeste aantastingen zijn in straatbeplantingen opgetreden maar er was toen ook al een aantasting in een laan van Landgoed Amelisweerd. Bij Dorst en Amerongen zijn aantastingen waargenomen in boslanen. Het bleek dus al snel dat het insect de wat hogere 'stadse' temperaturen niet nodig heeft. In 2003 werd de mot al op Terschelling gesignaleerd.

De invasie in Nederland is dus terug te voeren tot de populatie in Macedonië, maar de soort is ook daar niet inheems. Het is nog steeds de vraag waar deze dan wel oorspronkelijk vandaan komt. De mineerder is strikt gebonden aan Aesculus, waarvan 16 soorten bekend zijn die alle van nature voorkomen in één van de tertaire relictgebieden zoals de Kaukasus, de Himalaya en Noord-Amerika, maar in deze gebieden is de mineerder nooit beschreven.

Aantastingsbeelden

Larve in een opengemaakte bladmijn (foto: Alterra / A. van Frankenhuyzen)
Larve in een opengemaakte bladmijn (foto: Alterra / A. van Frankenhuyzen)

De gangen worden gemaakt door kleine witte geribbelde larfjes. De individuele larvegangen (mijnen of mineergangen) kunnen een oppervlakte van vier tot acht vierkante centimeter beslaan. Bij een massale aantasting overlappen de bladmijnen elkaar waardoor grote delen van het bladoppervlak verbruinen. De verpopping vindt plaats in de bladmijn in een door de rups vervaardigde cirkelvormige cocon van spinseldraden.

Gevolgen van aantasting

Bij een zware aantasting kunnen er wel 200 mijnen per kastanjeblad aanwezig zijn. In Midden-Europa wordt de soort inmiddels bestempeld als zeer schadelijk, omdat de bomen reeds eind juli volledig kaal kunnen zijn. Ondanks de achtereenvolgende aantastingen zijn er nog geen bomen afgestorven. Er wordt vaak gedacht dat de aangetaste bomen gevoelig voor de fatale "Kastanjebloedingsziekte" kunnen worden. Dat is niet waarschijlijk, omdat de rode paardenkastanje Aesculus x carnea niet of nauwelijks door de mineermot wordeen aangetast terwijl deze cultivar wel zeer gevoelig is voor de bloedingsziekte.

Er zijn geen toegestane effectieve middelen bekend om de aantastingen te voorkomen. In sommige gevallen kan men het afgevallen blad, met daarin de overwinterende poppen, opruimen. Hiermee verkleint men de beginpopulaties van het volgend jaar. Er zullen echter altijd bladeren overblijven waardoor een herhaling van een aantasting niet te vermijden is.

Deze onregelmatige roestbruine vlekken zijn omgeven door een gele rand, die bij bladmijnen van de mineermot ontbreekt (foto: Alterra / A. van Frankenhuyzen).
Deze onregelmatige roestbruine vlekken zijn omgeven door een gele rand, die bij bladmijnen van de mineermot ontbreekt (foto: Alterra / A. van Frankenhuyzen).

Levenswijze

De poppen overwinteren op de grond in afgevallen bladeren. De eerste motjes verschijnen van eind april tot begin mei. De motjes zijn met een lengte van slechts 4 mm, erg onopvallend te noemen. Een waarnemer vroeg zich af wat die duizenden "vliegjes" op de stammen en bladeren van de kastanjebomen deden: die waren op zoek naar een partner. Na de paring zetten de vrouwtjes hun eitjes af op de bovenzijde van het blad. Elk vrouwtje legt 20 tot 30 eitjes die na ongeveer tien dagen uitkomen. De jonge larven boren zich direct een weg in het bladweefsel en na enkele weken zijn de eerste kleine kommavormige mijntjes te zien. Vervolgens ontstaat een meer cirkelvormige mijn die overgaat in een blaasvormige, doorzichtige mijn, die lichtbruin gekleurd is. In Nederland zijn gewoonlijk drie generaties mogelijk waardoor uiteindelijk veel blad kan worden aangetast. In Zuid-Europa kunnen er wel 5-6 generaties per jaar optreden.

Parende motjes (foto: Alterra / A. van Frankenhuyzen)
Parende motjes (foto: Alterra / A. van Frankenhuyzen)

Natuurlijke vijanden

Bij een onderzoek naar de activiteit van sluipwespen in Oostenrijk en Tsjechië, bleek slechts maximaal zeven procent van de larven en poppen geparasiteerd te zijn. Deze geringe parasitering duidt erop dat de bladmineerder in Europa niet inheems is. Mocht men in Europa ooit biologische bestrijding overwegen, door het invoeren van de oorspronkelijke sluipwespen, dan zit men met de moeilijkheid niet te weten waar ze vandaan te halen. Daartoe zal eerst het oorspronkelijke verspreidingsgebied van de bladmineerder moeten worden vastgesteld. De lage parasiteringsgraad is vermoedelijk medeoorzaak van de explosieve verspreiding van de mineermot in Europa. In de zomermaanden is wel eens te zien dat koolmezen de larven uit het blad proberen te halen maar dat lijkt niet erg effectief.