Blogpost

Laat ons experimenteren!

Gepubliceerd op
24 november 2009

In Nederland zijn de visserij- en de aquacultuursector hard op weg om te innoveren en te verduurzamen. Kenniskringen blijken een geweldig instrument om dit proces aan te jagen. De overheid juicht innovatie toe en is positief over het ontwikkelen en versterken van ondernemerschap binnen de kenniskringen. En toch gaat er iets niet goed…

De mosselsector experimenteert al sinds 2003 met het innoveren van installaties voor invang van mosselzaad (MZI’s). Dit jaar resulteerde dat eindelijk in nieuw beleid. Maar de weg naar dit beleid en met name de succesvolle innovaties was lang. Dit komt onder andere omdat de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn (HVR) nogal strikt is. In Nederland is de gebiedsbescherming uit de HVR toegepast in de natuurbeschermingswet (Nbw). De Nbw voorziet echter niet in het creëren van een innovatieklimaat. De MZI-pioniers moesten hun weg zoeken in een vergunningendoolhof. Om ruimte te krijgen voor kleinschalige experimenten moesten ze manoeuvreren tussen verschillende overheidsinstanties. Door de kosten en moeite die dit met zich meebracht, waren de risico’s aanzienlijk. Zodoende kregen uiteindelijk alleen de echte waaghalzen een systeem in het water. Eigenlijk zou toch het zonder omslachtige trajecten mogelijk moeten zijn om op kleine schaal met nieuwe ideeën te experimenteren. In dit soort gevallen, waarin vooraf al grotendeels vaststaat dat er geen significante negatieve effecten zijn te verwachten, had de beschikbaarheid van makkelijk toegankelijke proeflocaties immers uitkomst geboden. Maar helaas is het nog niet zover.

Inmiddels zijn ook andere sectoren, waaronder de oestersector, actief aan de slag met innovatie. En ja, ook zij lopen nu tegen dezelfde problemen aan als de MZI-pioniers. Zelfs kleinschalige experimenten om te testen of een systeem geschikt is voor commerciële productie zijn al vergunningplichtig. Hierdoor moeten de pioniers van te voren, en dus zonder dat er al concrete ervaringen zijn, uitdenken wat ze precies willen gaan doen. Pas nadat alles in ‘beton’ (een vergunning) is gegoten, wordt dus pas duidelijk of een systeem echt werkt. En wanneer aanpassingen noodzakelijk zijn, moeten ze de hele procedure (soms van vooraf aan) weer doorlopen. Dit is een enorme innovatierem.

Dus vergunningverlener, wordt ook eens innovatief! Want zou het niet een uitkomst zijn als de pioniers op een eenvoudige manier proeflocaties kunnen inrichten waar ze op beperkte schaal en op een flexibele manier innovatieve concepten kunnen uitproberen? Dit scheelt zowel de vergunningverlener als de pioniers een hoop tijd en ergernis. Pas als zo’n kleinschalig experiment evolueert in een praktijkrijp (innovatief) systeem, pas dan gaan we samen het vergunningtraject in. Dat is dan ook het moment waarop de vergunningverlener kan bepalen of op grotere schaal, met mogelijkerwijs negatieve effecten voor het ecosysteem, kan worden doorgestart. Een dergelijke innovatieve aanpak van de vergunningverlener zal de flexibiliteit van de innovatiegerichte pioniers en daarmee ook de innovatiekracht van de schelpdiersector enorm vergroten.