Nieuws

Natuurliefhebbers zien (beperkte) rol voor de jacht in het natuurbeheer

Gepubliceerd op
16 december 2013

Groot wild zoals edelherten, reeën en wilde zwijnen dragen bij aan de natuurbeleving van burgers, maar veroorzaken soms ook overlast voor landbouw en verkeer. Opvallend veel mensen denken genuanceerd over het beheer van groot wild in natuurgebieden. Zachte beheermaatregelen krijgen de voorkeur boven het afschieten van dieren, maar bij dieren die ernstig lijden is voor 80% van de natuurliefhebbers het afschieten ervan een optie.

Groot wild zoals edelherten, reeën en wilde zwijnen dragen bij aan de natuurbeleving van burgers, maar veroorzaken soms ook overlast voor landbouw en verkeer. Opvallend veel mensen denken genuanceerd over het beheer van groot wild in natuurgebieden. Zachte beheermaatregelen krijgen de voorkeur boven het afschieten van dieren, maar bij dieren die ernstig lijden is voor 80% van de natuurliefhebbers het afschieten ervan een optie.

Dat blijkt uit onderzoek van Alterra voor Natuurmonumenten onder bijna 40.000 mensen in het kader van het thema ‘In debat over groot wild’. Alle leden van Natuurmonumenten zijn via het blad van Natuurmonumenten uitgenodigd om deel te nemen. Daarnaast is in de media veel aandacht geweest voor het onderwerp, waarbij ook niet leden zijn uitgenodigd om deel te nemen. Tenslotte zijn de leden van een onderzoekpanel van Alterra (www.daarmoetikzijn.nl) uitgenodigd. De enquête is volledig ingevuld door 39.317respondenten; 75% van de respondenten is lid van Natuurmonumenten.

De uitbreiding van natuurgebieden om wilde dieren meer ruimte te geven krijgt veel steun. De aanleg van ecoducten (84%) wordt hierbij geprefereerd boven de aankoop van landbouwgrond (68%). Als dat onvoldoende oplossing biedt, is er ook steun voor diverse andere beheermaatregelen. “Zachte” maatregelen krijgen duidelijk de voorkeur boven het afschieten van dieren. Overlast voor de landbouw bestrijden de respondenten het liefst door hekken te zetten om kwetsbare landbouwgronden. Afschot om schade aan de landbouw te voorkomen wordt door slechts 22% gesteund. Hetzelfde zien we bij verkeersoverlast en gevaar. Liever verlaagt men de maximum snelheid of accepteert men de overlast dan dat dieren preventief worden afgeschoten; 68% is tegenstander van preventief afschieten om die reden.

Grote steun voor het afschieten van dieren bij ernstig lijden

Opvallend is dat slechts 7% onder alle omstandigheden tegen het doden van dieren is. Jongeren en stedelingen zijn hier de grootste tegenstanders van. Onder specifieke omstandigheden is er dus brede steun voor het afschieten van groot wild. Als dieren lijden door ziekte of voedselgebrek, steunt ruim 80% het actief doden van deze dieren. Naast het dierenwelzijn zijn de belangrijkste criteria om afschot toe te staan: er moeten voldoende wilde dieren leven in een gebied en jagers moeten zich aan gedragsregels houden. De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn opvallend groot. Mannen zijn grotere voorstanders van de jacht, terwijl vrouwen eerder dieren willen bijvoeren. Ook stedelingen zijn grotere tegenstanders van de jacht.

Zichtbaarheid wild vergroot bezoekersaantallen

Alhoewel de grootste groep deelnemers aan de enquête bestaat uit mensen die zich bij de natuur betrokken voelen, ziet slechts 20% minimaal één keer per jaar een edelhert of wild zwijn. Het onderzoek laat ook zien dat vergroting van de zichtbaarheid kan bijdragen aan het bezoek aan natuurgebieden. Grotere zichtbaarheid van wilde dieren leidt tot meer bezoekers; 58% zegt dat ze vaker de natuur gaan bezoeken als er edelherten te zien zijn. Ook de aanwezigheid van wild zwijn (42%) en zelfs de wolf (37%) zou tot grotere bezoekersaantallen leiden. Overigens schrikken wilde zwijnen (8%) en vooral wolven (15%) ook bezoekers af. Gevraagd naar de effecten van de eventuele terugkeer van de wolf noemen veel mensen zowel een positief als een negatief effect. 72% denkt dat de wolf bijdraagt aan het natuurlijk evenwicht, maar tegelijkertijd is 69% bang dat wolven schapen zullen doden. Dat wolven een gevaar voor kinderen vormen of dat ze dierziektes zouden verspreiden geloven maar weinig mensen (18 en 15%).