Persbericht

Nieuwe testmethoden kunnen aantal proefdieren reduceren

Gepubliceerd op
3 mei 2013

Door meer gebruik te maken van reageerbuisproeven, de zich ontwikkelende 21e eeuwse wetenschapsvelden, - zgn. ‘omics’-wetenschappen – en het ontwikkelen van intelligente test strategieën kan het aantal noodzakelijke dierproeven duidelijk zakken. Dat zegt prof.dr.ir. Bennard van Ravenzwaay in zijn inaugurele rede bij de aanvaarding van de bijzondere leerstoel Reproductie- en ontwikkelingstoxicologie aan Wageningen University op 2 mei. Zijn leerstoel wordt gefinancierd door BASF en is ondergebracht bij de leerstoelgroep Toxicologie.

Prof. Van Ravenzwaay schetst in zijn inaugurele rede ‘Innovative approaches to reduce animal testing’ een overzicht van de mogelijkheden om het aantal dierproeven als ratten, muizen, vissen te beperken. Hij gaat daarbij uit van de informatie die dierproeven opleveren en onderzoekt de mogelijkheden of die kennis ook op andere wijze is te verkrijgen. Hij onderscheidt daarbij drie velden waar verbeteringen kunnen optreden: vermindering, verfijning en vervanging. Dat gaat dus verder dan alleen het zoeken naar vervangende methoden voor dierproeven.

B. van Ravenzwaay

Met de term vermindering doelt de hoogleraar op studies met een minimaal aantal dieren dat nodig is om een helder beeld te krijgen van het potentiële gevaar en de risicobeoordeling, maar toch zoveel dat de uitkomsten van het onderzoek ook betrouwbaar zijn. Verfijning wijst naar het vermijden van de schadelijkste en stressvolste situaties voor proefdieren, door bijvoorbeeld alleen op een deel van het dier, zoals het oor, te testen. Prof. Van Ravenzwaay pleit er voor om het concept verfijning uit te breiden met moderne methoden die extra dierproeven overbodig maken. De zgn ‘omics’- wetenschappen geven die mogelijkheden. Daaronder vallen nieuwe studiegebieden als proteomics (over eiwitten), transcriptomics (over genen en hun expressie) en metabolomics (over natuurlijke stoffen in het lichaam). “De omics-data geven ons inzicht in de manier waarop een stof in het lichaam werkt, zodat we met minder studies én minder proefdieren uit kunnen,” aldus prof. Van Ravenzwaay.

Vervanging van proefdieren

Vervanging voor proefdieren is ethisch en maatschappelijk het belangrijkste voordeel van reageerbuisproeven ofwel in vitro-studies. Maar prof. Van Ravenzwaay noemt daarnaast andere winstpunten zoals de mogelijkheid om preciezere kwesties te bestuderen die met proeven in levende proefdieren lastiger zijn te beantwoorden. “Daarbij zijn twee zaken van belang: je wil weten wat een stof doet met het lichaam, maar tegelijk wat een lichaam doet met een stof. Met in vitro-studies kunnen niet alle antwoorden worden gegeven. Daarom ontwikkelen we computermodellen die de vertaalslag maken tussen cellen in een reageerbuis en een echt dier.”

De Wageningse hoogleraar Reproductie- en ontwikkelingstoxicologie maakt daarbij de aantekening, dat huidige dierproeven, hoewel nog steeds essentieel voor de veiligheidsbeoordeling, niet altijd optimaal zijn. “Aspirine – wel eens het achtste wereldwonder genoemd - zou nooit op de markt zijn gekomen als zijn toxicologische potentieel zou zijn geëvalueerd met de huidige maatstaven. Uit studies blijkt nl. dat aspirine misvormingen bij ratten kan geven. We weten echter dat dit bij mensen niet het geval is. Daardoor wordt duidelijk dat dierproefen niet altijd het juiste antwoord geven en dat het belangrijk is de manier waarop een stof toxisch is beter te begrijpen”

Tenslotte is ook de hoeveelheid benodigde teststof bij in vitro-tests veel geringer dan de massa die bij proefdieren nodig is. Een kleine in vitro-studie vergt maar een paar milligram, terwijl dierproeven al snel een paar honderd gram van de te testen stof verbruiken. Het maken van een nieuwe  stof met bijzondere biologische eigenschappen (denk aan geneesmiddelen) is vaak duurder dan zijn gewicht in goud waard is. Met in vitro tests kunnen de belangrijke nadelige effecten, zoals mutageniteit, endocriene werking, ontwikkelingstoxiciteit, enz. al zeer vroeg tijdens de ontwikkeling van een nieuwe stof worden ontdekt, zodat veel sneller een besluit genomen kan worden of verdere ontwikkeling (en de daarmee gepaard gaande dierproeven) nog wel zinvol is. “In vitro-tests versnellen daarmee het selectieproces enorm,” aldus prof. Van Ravenzwaay.