Nieuws

Noord-Holland wijzigt weidevogelbeleid na onderzoek Alterra

Gepubliceerd op
20 juni 2013

De weidevogels in Noord-Holland moeten op een andere manier worden beschermd. Anders zullen ze in aantal achteruit blijven gaan en zouden sommige soorten zelfs kunnen verdwijnen. Dat blijkt uit een onderzoek dat Alterra in opdracht van de provincie heeft uitgevoerd. Gedeputeerde Staten van Noord-Holland onderschrijven de aanbeveling om met kerngebieden te gaan werken.

“Noord-Holland telt één van de grootste weidevogelpopulaties. Als we dit icoon van ons landschap willen behouden, dan moet het roer om,” zegt gedeputeerde Jaap Bond van de provincie Noord-Holland. Hij wil gaan werken met zogenaamde kerngebieden: kansrijke gebieden, waarin de optimale omstandigheden worden gecreëerd voor de weidevogel, zodat duurzame populaties ontstaan. “De praktijk leert dat doorgaan met een beetje doen in veel gebieden, te weinig oplevert. Meer doen in minder gebieden is effectiever, zo blijkt uit het onderzoek van Alterra. Het betekent ook dat we keuzes moeten maken. We gaan alleen nog investeren in gebieden die echt kansrijk zijn.” 

Uitkomsten onderzoek

De provincie Noord-Holland heeft de kerngebiedenbenadering laten uitwerken door Alterra Wageningen UR, Sovon Vogelonderzoek Nederland en bureau Altenburg & Wymenga. In het onderzoek zijn vier scenario’s met elkaar vergeleken. In het meest beperkte scenario wordt het aantal kerngebieden beperkt tot de huidige natuurreservaten. Het meest uitgebreide scenario omvat alle belangrijke weidevogelgebieden waar reservaatbeheer plaats vindt, plus het gebied waar agrarische natuurverenigingen actief zijn.

De vier scenario’s zijn uitgewerkt voor grutto, tureluur, kievit, scholekster en slobeend als weidevogelsoorten. Op kaarten is weergegeven welke gebieden in aanmerking komen en welke soorten daar verwacht mogen worden. De scenario’s lopen uiteen van zo’n 6.000 ha tot ruim 40.000 ha die in kerngebieden kunnen worden ondergebracht. In alle scenario’s blijkt dat voor  een duurzame weidevogelstand met name de openheid (vrij uitzicht) en de drooglegging (slootwaterstand) veel aandacht behoeven. Op dit moment voldoet slechts 20 procent van de gebieden met natuurreservaten tot 4 procent van de gebieden met agrarisch natuurbeheer aan alle randvoorwaarden om een duurzame weidevogelpopulatie in stand te houden. Dit geeft de omvang van de noodzakelijke maatregelen aan.

Zonder kerngebiedenbenadering zal de weidevogelstand veel verder achteruitgaan dan met kerngebiedenbenadering. Zelfs het volledig wegvallen van soorten kan dan niet worden uitgesloten. Buiten de kerngebieden wordt de weidevogelpopulatie niet per definitie tot nul gereduceerd, maar als de omstandigheden daar niet worden geoptimaliseerd, is het geen duurzame populatie. Op termijn bestaat de populatie daar uit vogels die zich vestigen vanuit de kerngebieden, die bij een goede inrichting en een goed beheer als brongebied zullen fungeren.

Voor de inrichting van goed functionerende kerngebieden is veel geld nodig. De eenmalige kosten lopen uiteen van circa 3,5 tot 7,6 miljoen euro. De jaarlijkse kosten van 0,3 tot 2,3 miljoen (met name voor rietbeheer). Dit is exclusief de kosten van het graslandbeheer.

Vervolgstappen

De provincie Noord-Holland gaat komende maanden met natuurbeherende organisaties, LTO, agrarische natuurverenigingen en andere betrokken organisaties de kerngebieden en scenario’s nader uitwerken. Eind 2013 moet duidelijk zijn welke gebieden het stempel ‘kerngebied’ krijgen. Alleen voor die gebieden kan dan nog subsidie voor weidevogelbeheer worden aangevraagd. Vanwege de huidige contracten, zullen 2014 en 2015 overgangsjaren zijn. In 2016 treedt het nieuwe beleid volledig in werking.