Persbericht

Oesterriffen moeten erosie van Zeeuwse slikken remmen

Gepubliceerd op
27 september 2010

Kunnen riffen van oesters weerstand bieden aan de voortgaande erosie van zandplaten in de Oosterschelde?

Met die vraag is IMARES, onderdeel van Wageningen UR, samen met het Nederlands Instituut voor Ecologisch Onderzoek (NIOO) gestart met het aanbrengen van experimentele oesterriffen in het Zeeuwse getijdengebied. De proef met banken van schelpdieren die de golfslag intomen en sediment invangen wordt uitgevoerd in het kader van het innovatieprogramme Building with Nature van de stichting Ecoshape, in samenwerking met Rijkswaterstaat, en moet behalve de dijken, ook de biodiversiteit op slikken en platen veilig stellen.

De pilot met oesterriffen is verdeeld over twee locaties in de Oosterschelde ten zuiden van Schouwen-Duiveland: bij locatie De Val komt één rif nabij de dijk, op de slikken van Viane komen twee riffen nabij de laagwaterlijn. Ter plaatse worden schanskorven (metalen vlechtwerken) met een totale lengte van 200 meter en 10 meter breedte gevuld met oesterschelpen aangebracht. De korven zijn ca 25 cm hoog. Het idee is dat de oesterpopulatie zich vermenigvuldigt via larven die zich op de stabiele ondergrond van schelpen vestigen en uitgroeien tot een levend rif.

In een eerdere kleinschalige studie met aangelegde oesterriffen in de Oosterschelde bleken de oesterschelpen inderdaad een stevige verankeringsplek te vormen voor oesterlarven, zodat de gehele structuur in staat was om sediment in te vangen en aldus erosie te remmen.

De riffen op de laagwaterlijn zullen nauwlettend worden gevolgd om wijzigingen in omvang en vorm, morfologische en ecologische veranderingen te monitoren en te onderscheiden van autonome wijzigingen die zich gedurende het onderzoek in het getijdengebied voltrekken. Hiertoe wordt samengewerkt tussen IMARES, Rijkswaterstaat, NIOO-KNAW en Deltares.

Zandhonger
De slikken en platen achter de halfdoorlatende Oosterscheldedam steken bij eb steeds minder boven water uit. Hun niveau boven NAP daalt voortdurend doordat het zand van de platen en slikken met ca 1 miljoen m3 per jaar in de getijdengeulen verdwijnen, vooral tijdens stormen. Dat komt door de bouw van de Oosterscheldekering waardoor de waterbewegingen in het Oosterschelde-estuarium verminderden. De opbouwende getijdekrachten die het sediment kunnen terugbrengen op de slikken en platen zijn sterk gereduceerd. Door de zgn. zandhonger verdwijnt elk jaar 50-100 hectare slikken en zandplaten onder water. 

Als er niets gebeurt zal de Oosterschelde tegen 2075 nog nauwelijks 15 % slikken en platen kennen en zal een egale ondiepte resteren. De bij eb droogvallende delen vormen rustplaatsen voor zeehonden, terwijl tal van wadvogels, zoals de scholekster, er in die tijd hun voedsel zoeken. Zonder ingrijpen zullen deze dieren uit de Oosterschelde verdwijnen. Bovendien houden de droogvallende platen en slikken de golven gedeeltelijk weg van de dijken tijdens een storm. Als deze gebieden zijn verdwenen worden de dijken zwaarder aangevallen en worden forse investeringen in dijkversterking noodzakelijk.

De erosie door de zandhonger kan hersteld worden door het verloren zand weer terug te brengen naar de slikken en platen, maar wellicht kan de erosie ook worden geremd door de oevers te beschermen, het liefst met duurzaam materiaal. De aanleg van oesterriffen moet dan ook één van de duurzame oplossingen geven voor het erosieprobleem zodat de natuur wordt behouden, en de veiligheid gewaarborgd.