Project

Ontwikkeling van blauwgrasland in de Wieden

Natuurontwikkeling verloopt niet altijd zoals verwacht. In het Nationaal Park Weerribben-Wieden wil Natuurmonumenten een graslandgebied omvormen tot een blauwgraslandvegetatie.

Dotterbloemhooiland of een Kleine zegge vegetaties zouden ook al een mooi resultaat zijn. Na 7 jaar extensief beheer is nog steeds niet een van deze vegetatietypen gerealiseerd. De ontwikkeling stagneert, er ontstaat een kruidenrijk grasland maar de beoogde soorten blijven uit. De precieze oorzaak van deze stagnatie is door Wageningen Environmental Research (Alterra) onderzocht.

Het Nationale Park Weerribben-Wieden wordt aangewezen als Natura-2000-gebied. Herstel en uitbreiding van blauwgrasland is één van de natuurontwikkelingsdoelen. Het huidige beheer van de graslanden tussen de Veldweg en de Reeënweg, een gebied van ongeveer 46 ha, is dan ook gericht op het terugkrijgen van blauwgraslandvegetaties. Zeven jaar lang is niet meer bemest, wordt er jaarlijks meerdere malen gehooid en beweid met schapen. Dit zou tot een verschraling van voedingsstoffen moeten leiden waardoor de meer gewaardeerde stadia als schraalgrasland- of dotterbloemhooilandsoorten een kans krijgen. Elders in de Wieden ligt een klein gebied van 9 ha blauwgrasland. De beoogde soorten zijn dus in de directe omgeving wel aanwezig. Toch vestigen ze zich niet in het gebied van de Veldweg-Reeënweg

Voorwaarden

In het verleden kwamen hier wel blauwgraslanden voor. De verwachting is dan ook dat deze natuur hier opnieuw tot ontwikkeling kan komen mits aan de juiste abiotische randvoorwaarden wordt voldaan. Bekend is dat de bodemopbouw en de fosfaattoestand van de bodem hierin een belangrijke rol spelen. Bekend zijn ook de ecologische eisen die de gewenste soorten aan hun standplaats stellen, zoals vochttoestand, waterkwaliteit, zuurgraad en voedselrijkdom. Voor dit natuurdoeltype geldt dat de fosfaatverzadigingsindex, die weergeeft in hoeverre het fosfaatbindend vermogen van de bodem werkelijk wordt benut , niet groter dan 0.1 mag zijn, de standplaats mag niet te zuur zijn en het water moet een lithotroof (grondwater) karakter hebben en goed tot in de wortelzone kunnen doordringen.

Werkelijke situatie

De voorwaarden zijn bekend maar hoe staat het er nu werkelijkheid voor en welke maatregelen leiden tot het beste resultaat. Om hier meer zicht op te krijgen heeft Wageningen Environmental Research (Alterra) de bodemkundige en hydrologische potenties van het gebied in kaart gebracht en de fosfaattoestand onderzocht. In een eerste fase is gekeken naar de veendikte, de dikte van de zandbovengronden, het bodemtype, het watertype, de grondwatertrap en de zuur/basentoestand van de bouwvoor. De ruimtelijke patronen van deze onderdelen zijn op kaart weergegeven. In een volgende fase zijn deze kaarten gebruikt voor de opzet van een bodembemonstering op basis van een aselecte steekproef. De analyseresultaten over de beschikbaarheid van fosfaat zijn door de steekproefopzet representatief voor de onderzochte (deel)gebieden.

Door verschillen in de intensiteit van het verschralingsbeheer is er een duidelijke tweedeling in een noordelijk en een zuidelijk deelgebied ontstaan. De fosfaattoestand is in beide gebieden redelijk gunstig. In het zuidelijke deel is de toestand zelfs nog iets gunstiger dan in het noordelijke deel. Mogelijk komt dit door de intensievere verschraling, maar ook door de grotere fosfaatbuffercapaciteit van de bodem. Het verschil in de fosfaattoestand tussen de bovengrond (0 – 10 cm) en de daaronder liggende laag (10 – 20 cm) is niet groot. Het oppervlaktewater dringt goed door in de bodem maar bereikt niet overal de wortelzone. Dit komt door een beperkte aanvoercapaciteit van de sloten. Hierdoor wordt de vegetatie afhankelijk van regenwater dat atmotroof is en dus niet de voor deze vegetatie gewenste kwaliteit van lithotroof (zacht grondwater) water heeft.

Mogelijkheden

In het grootste deel van het gebied is de ontwikkeling van blauwgrasland mogelijk. In die delen waar de invloed van het zacht grondwater (lithotroof) het grootst is en de bovengrond zwak zuur, zoals in de lagere delen in het westen, kan zelfs de orchideeënrijke variant zich ontwikkelen. De hoger gelegen delen in het noorden en oosten van het gebied zijn te droog voor blauwgrasland. Wel zou hier een heischraal grasland of zelfs een dotterbloemhooiland ontwikkeld kunnen worden. Dit alles indien de beschikbaarheid van fosfaat verder afneemt.

Omdat het verschil in fosfaattoestand tussen de bovengrond en de daaronder liggende laag niet groot is, is het weinig zinvol om de bovenste laag af te graven. Dieper afgraven zorgt ervoor dat de standplaats te nat wordt en de draagkracht van de bodem te gering. Uitmijnen door frequent te maaien (circa 5 keer per jaar) is een uitstekende manier om de graslanden om te vormen. Dit zal door de beperkte draagkracht van de bodem niet overal mogelijk zijn. Op die plaatsen zou het huidige verschralingsbeheer met 2 keer per jaar maaien en afvoeren voortgezet kunnen worden. Verder zijn optimalisatie van het slootsysteem en het aanpassen van het waterpeil zeer zinvolle maatregelen om toe te passen.

project Natuurpotentie projectgebied "Veldweg-Reeënweg" in De Wieden