Promotie

Over het (on)nut van praten over ‘leken’ in plant technologieontwikkeling

In toenemende mate wordt van wetenschappers verlangd dat ze technologieën ontwikkelen die nuttig zijn voor en in de samenleving. Het proefschrift De discursieve Ander kijkt naar hoe plantonderzoekers deze verwachting oppakken. Het proefschrift analyseert bijeenkomsten waarin plantonderzoekers verantwoording afleggen over hun deels omstreden onderzoek naar ziektebestrijding in aardappelen. Dat doen ze aan collega-experts of aan het bredere publiek. Het blijkt dat plantonderzoekers vooral praten over gebruikers en voor een publiek dan dat ze praten met gebruikers en publiek.

Promovendus drs. KG (Karen) Mogendorff
Promotor prof.dr. CMJ (Cees) van Woerkum
prof.dr. HGJ (Bart) Gremmen
Copromotor prof.dr. HFM (Hedwig) te Molder
Organisatie Wageningen University, Leerstoelgroep Philosophy
Datum

vr 5 september 2014 13:30 tot 15:00

Locatie Aula, gebouwnummer 362
Generaal Foulkesweg 1
362
6703 BG Wageningen
0317-483592

Plantonderzoekers’ praat over non-experts dient meerdere functies.

Met hun praat over de niet-wetenschappelijke Ander laten plantonderzoekers zien dat ze in staat zijn het leken- en gebruikersperspectief op hun merites te beoordelen (”als onderzoeker ben je bent ook leek in het dagelijks leven”). Tegelijktertijd neigen plant experts ertoe het leken- en gebruikersperspectief als bijna overenigbaar en ondergeschikt aan het expert perspectief neer te zetten; de emoties van gebruikers zijn wel van belang, maar ze zijn ook in tegenspraak met wetenschappelijke criteria. Deze combinatie van aan de ene kant begrip uiten en aan de andere kant gebruikers- en lekenperspectief als onverenigbaar neerzetten met de beoefening van wetenschap helpt plantonderzoekers de regie te houden over of, waar en wanneer rekening gehouden wordt met het leken- en gebruikersperspectief in technologie-ontwikkeling.      

Praten over leken en gebruikers is daarmee vooral nuttig vanuit wetenschappelijk perspectief: het helpt onderzoekers hun wetenschappelijke onafhankelijkheid te bewaren. Echter, het kijken met uitsluitend een wetenschappelijke bril naar de bezwaren en zorgen van leken en gebruikers leidt niet per se tot technologieën die geaccepteerd worden en bruikbaar zijn in de samenleving.

Een complicerende factor is nog dat plantonderzoekers niet in alle interactiearena’s claimen dat ze de relevantie van leken en gebruikersargumenten kunnen beoordelen op hun merites. Als ze praten over maatschappelijk omstreden toepassingen van plant technologieën zoals genetische modificatie dan neigen onderzoekers er juist toe een de productie van kennis van het genoom van voedselgewassen te scheiden van de toepassing van deze kennis bij concrete technologieën zoals genetische modificatie van voedselgewassen. Deze conceptualisering van technologie grijpt terug op oude ideeën van wetenschap als relatief gescheiden/onafhankelijk van de samenleving en verhoudt zich moeizaam met de roep om technologieontwikkeling in en voor de samenleving vanuit de overheid en fondsen.

Een conclusie is dat inconsistente in signalen van plantonderzoekers in hoe hun onderzoek zich verhoudt tot de samenleving kan leiden tot verwarring en mogelijk ook de positie van onderzoekers en, breder, de wetenschap ondermijnen.      

Uit het promotieonderzoek kan men daarnaast concluderen dat het niet voldoende is om te praten over of zelfs te praten met gebruikers en ‘leken’ om te komen tot maatschappelijk relevante technologieën. Een meer constructieve benadering zou kunnen zijn: wetenschappers, gebruikers en leken samen verantwoordelijk maken voor de tot standkoming van maatschappelijk verantwoorde technologieën. Als verantwoordelijkheid gedeeld wordt, zal dit eerder leiden tot criteria in technologie-ontwikkeling die niet eenzijdig gebaseerd zijn op wetenschappelijke normen. Of men dient te erkennen dat onderzoek niet per se maatschappelijk relevant en bruikbaar is of hoeft te zijn.