welzijnsmeetsysteem voor vleeskuikens

Project

Welfare Quality vleeskuikens vereenvoudigd

Het meten van welzijn bij vleeskuikens is een tijdrovende bezigheid. Binnen dit project zoeken we naar mogelijkheden om deze metingen te vereenvoudigen.

Binnen het Europese Welfare Quality project is een gestandaardiseerde methode ontwikkeld om welzijn vast te stellen bij landbouwhuisdieren.

Het meten van de stand van zaken per bedrijf is echter een tijdrovende bezigheid. Om bij vleeskuikenhouders de acceptatie van een welzijnsmeetsysteem te verhogen, is onderzoek gedaan naar mogelijkheden voor vereenvoudiging van metingen of meettechnieken (en dus verkorten van de meettijd).

Onderzoek

Onderzoek

Van 180 koppels zijn data verzameld volgens het volledige protocol zoals beschreven is voor vleeskuikens. Deze koppels bevatten verschillende typen dieren en waren gehuisvest onder verschillende condities. De meerderheid van de data is verzameld in 2011 bij Nederlandse koppels vleeskuikens, maar ook recente data van Belgische koppels, en data van koppels uit het Verenigd Koninkrijk, Italië en Nederland verzameld in 2008 werden meegenomen in de analyse.

Naast metingen op het primaire bedrijf zijn ook bezoeken gebracht aan het slachthuis (bij 150 koppels) zoals beschreven in het protocol. De koppels werden beoordeeld door getrainde waarnemers. Voor de koppels bezocht in 2011 werden de data vastgelegd met behulp van een handcomputer en vervolgens in een database opgeslagen tot het moment van verdere analyse. Statistische analyse bestond uit de volgende stappen:

  1. data exploratie, d.w.z. nader bestuderen van de variabiliteit van de metingen en analyse van verschillen tussen ‘standaard’ koppels (reguliere, snel groeiende typen vleeskuikens meestal gehouden op een bezetting van rond 42 kg/m2) en ‘alternatieve’ koppels (langzamer groeiende vleeskuikens, meestal gehouden bij een lagere bezetting, in systemen met (buiten)uitloop, daglicht en omgevingsverrijking);
  2. bepalen van de correlatie tussen dierkenmerken (gemeten op het primaire bedrijf en op het slachthuis),
  3. bepalen van de eindscore voor alle koppels, gebaseerd op de berekeningen zoals beschreven in het volledige protocol,
  4. analyseren van mogelijke strategieën om het protocol voor de vleeskuikens te vereenvoudigen.

Welzijn vleeskuikens op het bedrijf
Welzijn vleeskuikens op het bedrijf

Resultaten

Analyse van de verschillen tussen standaard en alternatieve koppels

Voor de meeste variabelen was er grote variatie tussen de individuele koppels. Analyse van de verschillen tussen standaard en alternatieve koppels liet zien dat deze koppels verschilden voor de meeste gemeten variabelen. In het algemeen hadden koppels van alternatieve systemen minder last van contact dermatitis (voetzoollaesies, hakdermatitis en borstirritatie), hadden ze minder problemen met lopen, waren ze minder bevuild, vertoonden ze minder hijggedrag en kregen ze meer positieve scores in de ‘qualitative behaviour assessment’ vergeleken met standaard koppels. Koppels in alternatieve systemen scoorden lager in de ‘touch test’.

Figuren: Gait scores duidelijk verschillend per type vleeskuiken. Voorbeeld van beoordelingsmoment van voetzolen, hakken en borst.
Figuren: Gait scores duidelijk verschillend per type vleeskuiken. Voorbeeld van beoordelingsmoment van voetzolen, hakken en borst.

Analyse van de correlaties tussen de verschillende dierkenmerken

Analyse van de correlaties tussen de verschillende dierkenmerken liet zien dat voor de kenmerken gemeten op het bedrijf nooit zeer hoge correlaties (r>0.7) werden gevonden. De hoogste correlatie die mogelijkheden gaf voor verdere vereenvoudiging van het protocol was de correlatie tussen ernstige hakdermatitis en een slechte ‘gait score’ (dieren die slecht kunnen lopen; r=0.615 voor alle koppels, r=0.44 voor standaard en alternatieve koppels afzonderlijk). Hoge correlaties (r>0.7) werden wel gevonden tussen metingen van voetzoollaesies op het bedrijf en aan de slachtlijn. Een mogelijke andere strategie voor vereenvoudiging, namelijk het vervangen van metingen op het bedrijf door metingen aan de slachtlijn, is daarom ook verder doorgerekend. Hierbij is gerekend met het voorspellen van de klinische scores (bevuiling, voetzoollaesies en hakdermatitis) en de gait score op het bedrijf uit de waarnemingen van hakdermatitis en voetzoollaesies aan de slachtlijn.

Berekeningen van eindscores voor koppels volgens het volledige protocol lieten zien dat bijna alle koppels in dezelfde categorie (‘acceptable’) eindigden, ondanks de grote variatie in uitkomsten van de metingen tussen de koppels. Een oorzaak hiervoor kan zijn dat de methodiek van Welfare Quality® voor het berekenen van eindscores geen compensatie toelaat op niveau van criteria en principes.


Figuren: Beoordeling van zelfde partijen aan de slachtlijn. Beoordelingen aan slachtlijn soms een  goede schatter voor bedrijfssituatie.
Figuren: Beoordeling van zelfde partijen aan de slachtlijn. Beoordelingen aan slachtlijn soms een goede schatter voor bedrijfssituatie.

Analyse van de vereenvoudigingsstrategieën

Twee potentiële methoden voor vereenvoudiging, namelijk het voorspellen van de ‘gait score’ uit de scores voor hakdermatitis op het primaire bedrijf en het voorspellen van dierkenmerken op het bedrijf (gait score, bevuiling, hakdermatitis en voetzoollaesies) uit dierkenmerken (hakdermatitis en voetzoollaesies) gemeten aan de slachtlijn, zijn geanalyseerd.

De resultaten zijn weergegeven in termen van overeenkomst met de gouden standaard (het volledige protocol). Analyse van de vereenvoudigingsstrategieën liet zien dat in het algemeen de overeenkomst tussen de gouden standaard en het vereenvoudigd protocol hoog was, zowel voor de eindscores voor koppels, als voor de principes en criteria (alleen de principes en criteria werden beïnvloed door de vereenvoudiging). Bovendien werd er in het algemeen een hoge correlatie gevonden tussen de uitkomst van de gouden standaard en de uitkomst van het vereenvoudigd protocol op niveau van de principes en criteria. Wanneer er sprake was van een laag aantal bedrijven in een bepaalde categorie was er soms een groot betrouwbaarheidsinterval voor de sensitiviteit en de specificiteit. Dit betekent dat verder onderzoek nodig is voordat we definitieve conclusies kunnen trekken over de vereenvoudigingsstrategieën.

Conclusies

Concluderend kan gesteld worden dat de beide strategieën voor vereenvoudiging van het meetprotocol voor vleeskuikens zoals geanalyseerd op basis van de data die in dit project zijn verzameld, kansrijk lijken. Dit is gebaseerd op de overeenkomst met de gouden standaard op basis van de eindscore van de koppels en op de scores voor criteria en principes. Beide vereenvoudigingsstrategieën zijn ook kansrijk in termen van het terugbrengen van de tijd benodigd voor de beoordeling van een koppel en kunnen dus de implementatie van de vleeskuikenmonitor in de praktijk faciliteren. Wij adviseren om de data-gedreven vereenvoudiging van het vleeskuikenprotocol verder te valideren, bij voorkeur in koppels die goed verdeeld zijn over de verschillende categorieën, voordat een vereenvoudigd protocol in de praktijk wordt geïmplementeerd.