Testimonial

Heeft Hollands veenweidegebied toekomst?

Wie aan Nederland denkt, ziet groene open weiden met grazende koeien. Maar voor hoe lang nog? De toekomst van het veenweidegebied, want daar hebben we het over, staat onder druk. Het wordt onbetaalbaar, menen deskundigen. Senior beleidsadviseur Henk van Hardeveld en zijn collega’s van Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden en de provincies Utrecht en Zuid-Holland betwijfelden dat en gingen op zoek naar de feiten.

De onderzoekers van het LEI beschikken over een schat aan informatie en hebben ontzettend veel expertise.

“Een veenbodem bestaat voor een groot deel uit plantenmateriaal en dat maakt de grond nat en zompig,” legt Van Hardeveld uit. “Je kunt er weinig mee en daarom is het waterbeheer erop gericht om de grond droger te maken. Pas dan kunnen we er op wonen en werken.” Maar het droogleggen leidt er toe dat de bodem daalt. “Op zich is dat niet erg, maar de grondverschillen kunnen verzakkingen tot gevolg hebben en dat brengt hogere kosten met zich mee voor onder andere onderhoud van huizen, wegen en rioleringen. En ook het waterbeheer wordt ingewikkelder.”

Ook de baten

Volgens Van Hardeveld worstelt Nederland al decennia met het kostenaspect van veenweidegebied. “Als Hoogheemraadschap wilden we onderzoeken of het veenweidegebied tussen Gouda, Utrecht, de Lek en de Nieuwkoopse plassen werkelijk onbetaalbaar wordt. Om een goed beeld te krijgen moesten we niet alleen de kosten in kaart brengen, maar ook de baten. Daarom zijn we in gesprek gegaan met gebiedspartijen als landbouworganisaties, natuurorganisaties, bewonersgroepen, gemeenten en de recreatieve sector.”

Blinde vlek

Via een symposium over het veenweidegebied kwam Van Hardeveld in gesprek met onderzoekers van het LEI. “Om reële toekomstscenario’s te schetsen, pleitten zij voor het maken van een brede maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA). Dat verhaal paste precies bij ons onderzoek. In gesprek met de onderzoekers van het LEI vertelden we dat we redelijk ver waren met het in kaart brengen van de kosten voor waterbeheer en infrastructuur, maar dat we een blinde vlek hadden voor wat betreft het agrarische stuk. Het LEI had juist hier heldere ideeën over, dus vroegen we hen een offerte te maken.”  

Ander plaatje

Van het een kwam het ander en de samenwerking werd gestart. “Een verrijking,” meent Van Hardeveld. “De onderzoekers van het LEI beschikken over een schat aan informatie en hebben ontzettend veel expertise. Door met hen in zee te gaan, leerden we om bij het berekenen van de baten verder te kijken dan sec de inkomsten van boerenbedrijven in het veenweidegebied, overwegend melkveehouderijen, zelf. De modellen van het LEI maken de opbrengsten van de hele keten inzichtelijk. Zo kregen we een veel completer beeld van wat de sector en daarmee de veenweidegrond oplevert. Ook de opbrengsten van moeilijk grijpbare posten als beleving van het gebied, de invloed van huizenprijzen en de rol van recreatie hebben de onderzoekers op heldere en logische wijze voor ons berekend. Zo kregen we een totaal ander plaatje.”

Harde bewijzen

Van Hardeveld vervolgt: “Op basis van voorgaande onderzoeken naar de rendabiliteit van veenweidegrond was altijd de enige conclusie ‘op zoek gaan naar een alternatief voor landbouw’. In ons onderzoek tonen we aan dat het veenweidegebied helemaal niet op sterven na dood is. De feiten en cijfers laten zien dat er weliswaar problemen zijn, maar dat er veel meer verdiend wordt dan algemeen werd aangenomen. Dat maakt dat we samen met melkveehouderijen naar oplossingen kunnen zoeken om het boerenbedrijf te combineren met alternatieven als natuurbescherming en recreatie. Dat is de winst die we met dit project boeken.”

Stad en land

De problemen waar Van Hardeveld het over heeft, hebben betrekking op de eerder genoemde bodemdaling. “De hoge kosten die dat met zich meebrengt, maakt dat kleine bedrijven in het gebied het hoofd moeilijk boven water kunnen houden. Grotere melkveehouderijen zijn beter in staat het land gedifferentieerd te benutten: koeien houden in combinatie met activiteiten als weidevogelbeheer, de verkoop van boerenproducten en zelfs kinderdagverblijven. Die wisselwerking tussen stad en land kunnen we op basis van de nieuw gemaakte MKBA veel verder uitbouwen. Ook kijken we naar de mogelijkheid om op de natte gedeelten andere gewassen te verbouwen, zoals rietwilgen voor biomassa, kroosvaren voor veevoer en veenmos voor tuincentra. Zelfs het kweken van vis behoort tot de mogelijkheden.” En dat is goed nieuws voor de partijen in het gebied? vindt van Hardeveld: “Vooral de landbouw is blij met dit verhaal. Boeren roepen al jaren dat de overheid moet ophouden met voor hen te beslissen. Zij weten hoe ze om moeten gaan met veranderende omstandigheden, dat doen ze al eeuwen en willen vooral ruimte om te ontwikkelen. Gelukkig verandert het beleid in Nederland wat dat betreft en onze studie helpt daarbij, dankzij het LEI.”

Hoe nu verder? “Zoals gezegd werken we, samen met verschillende gebiedspartijen  mogelijke toekomstscenario’s uit voor concrete gebieden. Ook hierbij hebben we hulp van het LEI. Zo kunnen we gerichter en dieper kijken naar wat de komende decennia mogelijk is. En dat is maar goed ook, want het veenweidegebied is een van de prachtigste stukjes Nederland. Het zou fijn zijn als we dat nog lang kunnen houden.”

Henk van Hardeveld, Senior beleidsadviseur Planvorming & Advies

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden