Publicaties

Beknopte milieueffectrapportage op planniveau : in het kader van het Vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn

Schoumans, O.F.; Schröder, J.J.; Groenendijk, P.; Koeijer, T.J. de; Renaud, L.V.; Lusink, M.; Kruseman, G.

Samenvatting

Om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn en de kaderrichtlijn Water te realiseren, voert de rijksoverheid actief beleid om de nutriëntenbelasting vanuit de landbouw naar het grondwater en oppervlaktewater terug te dringen. Ter voorbereiding van de invoering van het Vijfde Actieprogramma Nitraatrichtlijn (2014-2017) is een beknopte milieueffectrapportage (MER) op planniveau uitgevoerd. De MER richt zich vooral op het bodem- en watercompartiment, en meer precies op de verbetering van de nitraatconcentratie in het grondwater en de vermindering van de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater die behaald kan worden met het voorgenomen beleid. Hierbij is er speciale aandacht voor het Zuidelijke zand- en lössgebied omdat de overschrijdingen van de streefwaarde voor de nitraatconcentratie in het grondwater in deze regio het grootst zijn. Er wordt in deze planMER studie ook aandacht besteed aan andere milieueffecten. Ingeschat is wat de gevolgen zijn voor de emissies naar de lucht (NH3, NOx, N2O, CH4, CO2 en fijnstof), het mesttransport, gebruik aan grondstoffen en de gevolgen van de emissies voor het klimaat, de natuur en leefomgeving. De berekeningen geven aan dat met het voorgenomen beleid de nitraatconcentratie in het Zuidelijke zandgebied tot gemiddeld 50 mg L-1 kan dalen. Landelijk gemiddeld verandert de N- en P-belasting van het oppervlaktewater nagenoeg niet. Voor het Zuidelijk zand- en lössgebied wordt de sterkste daling van de nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater verwacht. Naar verwachting kan met maatwerk van aanvullende maatregelen een verdere reductie van de belasting van grondwater en oppervlaktewater worden bereikt. De emissies naar de lucht van ammoniak (NH3), lachgas (N2O) en koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), overige gasvormige stikstofverbindingen en fijn stof zullen beperkt wijzigen, met als gevolg dat de veranderingen in de effecten voor het klimaat, de natuur en de leefomgeving minimaal zullen zijn.