Samenwerken in een (jeugd)dossier met ouders en jongeren: invloed op eigen regie en op interdisciplinaire samenwerking

Wat voor invloed heeft het ‘open zetten’ van een jeugddossier, en in gebruik nemen door meerdere disciplines binnen een Centrum voor Jeugd en Gezin, op ‘regie bij ouders/jongeren’, ‘samenwerking binnen Centra voor Jeugd en Gezin’ en ‘passende zorg’.

In de regio Noord Veluwe kunnen ouders en jongeren met alle vragen over opgroeien terecht bij een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). In het CJG werken professionals van twee organisaties voor Jeugdgezondheidszorg (Icare en GGD) en een organisatie die ambulante jeugdhulp biedt. Samen verzorgen ze de toeleiding en/of verwijzing naar meer specialistische zorg. Deze drie organisatie werken steeds meer samen en hebben een gezamenlijke visie. Ze vinden het belangrijk dat de ouder en de jongere zelf regie heeft over het eigen leven, ook als er problemen ontstaan. Dat ze zelf plannen maken en dat hulpverleners helpen die plannen vorm te geven als ouders en jongeren het alleen niet kunnen. Daarbij hoort ook dat die mensen betrokken worden die van belang zijn voor de ouder en de jongere. En dat professionals onderling goed samen te werken om het plan van het gezin (familiegroepsplan) vorm te geven. De verwachting is dat dit op termijn leidt tot betere (meer bij gezinnen passende) zorg. Hieraan wordt op verschillende manieren gewerkt. Een van de manieren is het samen (met medewerkers van drie organisaties en ouders/jongeren) ontwikkelen van een jeugddossier, waarin alle medewerkers van het CJG en alle ouders en jongeren kunnen lezen en schrijven. Ouders en jongeren beheren de toegang: zij zeggen wie er in hun dossier mag en wie niet.

Onderzoek

Aan het project is een proces- en effectevaluatie gekoppeld om te onderzoeken 1) of het jeugddossier is ontwikkeld en geïmplementeerd conform de geëiste functionaliteiten en 2) of het ontwikkelde jeugddossier bijdraagt aan ‘toenemende regie bij ouders en jongeren’, ‘groeiende samenwerking binnen het CJG’ en ‘passende zorg’. Voor zowel proces- als effectevaluatie bestaat de onderzoeksgroep uit ouders, jongeren en medewerkers in vijf deelnemende CJG’s. De effectevaluatie, voor onderstaande deelvragen van belang, bestaat uit een voor- en een nameting, onder zowel ouders, jongeren als medewerkers.

Deelvraag 1

Wat vinden ouders en jongeren van de samenwerking binnen CJG’s op de Noord Veluwe en in hoeverre ervaren zij dat ze zelf regie hebben over hun vragen en plannen?

Aanpak

Elk CJG heeft eens per jaar ‘dialooggesprekken’ met ouders en jongeren. De onderzoeker haakt aan bij de dialooggesprekken van de teams. Hierin zijn onder andere de onderzoeksthema’s ‘regie bij burgers’ en ‘samenwerking tussen CJG-medewerkers’ geagendeerd. Op basis van de gesprekken, die de vorm hebben van semi-gestructureerde focusgroepinterviews, wordt een korte vragenlijst opgesteld over deze thema’s. Deze vragenlijst wordt aangevuld met een aantal ‘onderscheidende kenmerken’ en ingevoerd in PPP-zorg. Dit is een enquête-instrument dat teams in de Noord Veluwe gebruiken om ouders en/of jongeren aansluitend aan elk contact te bevragen op hun ervaringen met het CJG. De vragenlijst wordt in elk CJG gedurende twee maanden afgenomen bij iedere bezoeker. Vervolgens worden de data geanalyseerd.

Deelvraag 2

Wat is het effect op ervaren ‘eigen regie’ en ‘samenwerking’ van de invoering van het jeugddossier? Vergelijk het ervaren effect voor en na invoering van het jeugddossier.

Aanpak

De vragenlijst die onder deelvraag 1 is vastgesteld wordt aangevuld met een aantal vragen over ingebruikname en/of gebruiksgemak van het dossier. De vragenlijst wordt in elk CJG gedurende twee maanden afgenomen. De data van beide vragenrondes worden geanalyseerd en onderling vergeleken. Naar aanleiding van de uitkomsten van de vragenlijsten wordt een topiclijst opgesteld t.b.v. focusgroepinterviews met ouders en jongeren. In deze interviews wordt verdiepende informatie opgehaald over de thema’s ‘eigen regie’, ‘samenwerking’ en ‘implementatie’. De verbatim verslagen van de focusgroepinterviews worden kwalitatief geanalyseerd volgens de grounded theory, beschreven door H. Boeije.