Bloemen kweken zonder fossiele brandstoffen?

In het Zuid-Hollandse Bleiswijk staat een unieke kas. Hier worden steeds verschillende gewassen gekweekt, van aardbeien en paprika’s tot lelies en potplanten. Door te experimenteren met teelttechnieken en -methodes komen Wageningse onderzoekers steeds dichter bij hun doel: een emissievrije kas.
De glastuinbouwsector staat voor grote uitdagingen. De emissie van CO₂, water en nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen moet op termijn naar nul worden gebracht. Met steun van het ministerie van LVVN heeft Wageningen University & Research een demonstratiekas KAS 2030 opgezet. Daar wordt onderzocht hoe telers de klimaatdoelen op een rendabele en realistische manier kunnen halen.
De demonstratiekas werd in 2020 gebouwd en ligt in Bleiswijk, bij de locatie Glastuinbouw van Wageningen University & Research. Het complex bestaat uit vier afdelingen van 350 m2, en elk jaar wordt opnieuw bekeken welk gewas een plek krijgt in één van de afdelingen. In het verleden teelden de onderzoekers onder meer aardbeien, paprika’s en zelfs kleine meloenen; in 2026 stonden er verschillende bloemen en potplanten. Bij iedere teelt wordt een commissie van telers betrokken. Die komen regelmatig langs om de teelt te bekijken, advies te geven en zelf te leren van de Wageningse experimenten.
“Als we iets doen aan de ene emissie, wat gebeurt er dan met de andere?”
Kempkes en zijn collega’s houden de emissiestromen in de kas – energie, water en gewasbeschermingsmiddelen – nauwlettend in de gaten. En niet elke stroom op zichzelf, maar integraal: ‘Vaak bestuderen onderzoekers ieder thema op zich’, zegt projectleider Frank Kempkes. ‘Nu willen we echt weten: als we iets doen aan de ene emissie, wat gebeurt er dan met de andere?’
Fossielvrij gerbera’s telen
Een kas vol gerbera’s, een van de meest verkochte snijbloemen van Nederland, slokt veel aardgas op. De Nederlandse tuinbouw zit nu in een overgang van fossiele brandstoffen naar duurzame energiebronnen. In Bleiswijk zoeken Kempkes en zijn collega’s uit hoe deze bloemen geteeld kunnen worden zonder gebruik van fossiele energie.
‘Eerst hebben we er alles aan gedaan om energie te besparen’, zegt Kempkes. ‘We hebben full-LED belichting, die is heel energiezuinig. Verder gebruiken we scherminstallaties die bovenin de kas de warmte binnenhouden. Veel gerberatelers hebben één of twee van deze schermen, wij hebben er drie. Daardoor is de kas beter geïsoleerd.’ Bijna alle gerberatelers zijn inmiddels overgestapt op full-LED.

Neem een kijkje in de kas. Projectleider Frank Kempkes geeft een rondleiding.
Met een elektrische warmtepomp kan de kas het hele jaar van warmte worden voorzien. Ook de belichting en de luchtbehandeling verbruiken stroom. ‘De energievraag kan nooit nul zijn, want dan zou je niet jaarrond kunnen blijven telen. Er mag dus wel energie in, maar alleen duurzame energie.’
Een van de puzzels die de Wageningse onderzoekers moeten leggen heeft te maken met het vochtgehalte in de kas. Door de scherminstallaties is de kas uitstekend geïsoleerd, maar kan het vocht er moeilijker uit. Schimmels krijgen daardoor meer kans om te groeien. ‘Daarom werken we met een ontvochtingsinstallatie’, zegt Kempkes. ‘Zo kunnen we tot 100 liter water per vierkante meter terugwinnen, die bij een standaardkas via de ramen eruit gaat. Maar dan ben je er nog niet. Want als die installatie veel draait, produceert ‘ie veel warmte die we niet kwijt kunnen. Dus dan kunnen we er weer voor kiezen om iets vochtiger te telen. Zo ben je continu een balanceeroefening aan het doen.’
Een andere uitdaging ligt bij de CO2 die de planten in de kas nodig hebben om te groeien. Hiervoor gebruikt KAS 2030 geen aardgas, maar een niet-fossiele bron: ‘Wij krijgen CO2 via het OCAP-netwerk, een netwerk van pijpleidingen in het westen van het land. Dat is grotendeels CO2 dat vrijkomt bij de productie van bio-ethanol, door vergisting van mais bijvoorbeeld.’ Voor bedrijven die niet zijn aangesloten op het OCAP-netwerk, is het lastiger om aan aardgas te ontkomen. ‘Wij testen installaties waarmee je CO2 kunt afvangen. Maar die kosten nu vaak meer energie en stoten daarmee mogelijk meer uit dan ze afvangen. Daar hebben we nog een lange weg te gaan.’
Geen druppel water verliezen
Een deel van het water in de tuinbouw komt niet bij dorstige planten terecht, maar vloeit weg door lekkage of moet worden afgevoerd omdat de kwaliteit niet voldoet. Daarmee gaan ook nutriënten zoals fosfaat, kalium en calcium verloren. In KAS 2030 wordt al het drainwater opgevangen en ontsmet met een ozonontsmetter, zodat ziekten zich niet via het water kunnen verspreiden. Hierdoor lukt het bij de meeste teelten om al het water te hergebruiken.
Lees meer over KAS 2030 op Research@WUR
In een deel van de kas in Bleiswijk wordt de lepelplant (Spathiphyllum) gekweekt, een tropische plant die relatief veel water nodig heeft. De meeste telers van deze plant geven bovenlangs water, over het gewas heen. Maar die methode kent een aantal nadelen, zegt Kempkes. ‘Om te beginnen heb je lekkages: het water dat naast de planten valt en niet opgevangen wordt. De druppels die op de bladeren blijven hangen, moet je bovendien verdampen met warmte, en dat kost in de winter weer energie die je met de verwarming moet inbrengen. En een ander gevolg is dat biologische gewasbeschermers van de bladeren afspoelen omdat die glad zijn.’
KAS 2030 werkt bij de potplanten met een eb-vloedsysteem. Daarbij staan de planten op een waterdichte tafel die onder water kan worden gezet, zodat de planten van onderuit water krijgen. Het overtollige water loopt weer weg en kan later opnieuw worden gebruikt.

Bij het eb-vloedsysteem liepen de Wageningse onderzoekers wel tegen een andere uitdaging aan: de verspreiding van wortelziekten. ‘De verspreiding van die ziekten gaat sneller met dit systeem. Dat is ook de reden dat telers terughoudend naar dit systeem kijken. Vooral in het verleden was dit een groot probleem, toen de ontsmetting van het water minder goed was. Maar we moeten er heel goed op letten en we doen er constant metingen voor.’
De kwaliteit van het water is essentieel, zegt Kempkes. ‘Als je water een slechte samenstelling heeft, bijvoorbeeld omdat het teveel natrium of fluor bevat, moet je het sneller lozen. Wij hebben aangetoond dat je met goed startwater nooit hoeft te lozen. Dat kan regenwater zijn, en op veel locaties ook grondwater. Maar om genoeg regen op te slaan voor het hele jaar heb je eigenlijk enorme bassins nodig – en die kosten veel ruimte. In onze kas gebruiken we, als ons regenwater op is, ook wel osmosewater. Dat ontstaat in een proces waarbij de zouten eruit worden gehaald. Daardoor hebben we nog nooit hoeven lozen omdat een element boven de toelaatbare concentratie is gekomen. De kwaliteit is altijd op peil gebleven.’
Plagen bestrijden zonder chemische middelen
In het natuurlijke systeem van de kas kruipen en vliegen allerlei insecten rond de gewassen. Voor telers is het steeds weer een uitdaging om plaaginsecten, die de planten of vruchten aantasten, in toom te houden. In de meeste Nederlandse kassen worden deze plagen nu al bestreden met natuurlijke vijanden, maar het blijft soms nodig om een systeem dat uit balans is geraakt te resetten met chemische gewasbeschermingsmiddelen.
‘Ons einddoel was duidelijk: het gebruik van chemische middelen naar nul brengen. Na veel reducties zijn we daar nu bijna’, zegt entomoloog Ada Leman, die vanaf het begin betrokken was bij KAS 2030. ‘Bij elke teelt in onze kas begonnen we met de strategie die in de praktijk werd gebruikt. Vervolgens gingen we aanpassingen doen: iets toevoegen of weglaten, een andere natuurlijke vijand of een andere techniek introduceren.’
In de gerberateelt, waar roofwantsen worden ingezet tegen verschillende plaaginsecten, werden bankerplanten geïntroduceerd. Dit zijn planten die tussen het gewas worden gezet om nuttige insecten te ondersteunen, legt Leman uit: ‘We maken gebruik van de koningskaars, een plant waarin roofwantsen schuilen en hun eieren kunnen leggen, en van de Lobularia, die veel nectar produceert waarvan sluipwespen kunnen profiteren. Dankzij deze planten blijven populaties van natuurlijke vijanden in stand, zodat ze klaarstaan om toe te slaan zodra er een plaaginsect opduikt.’

Kas als proeftuin
In de demonstratiekas testen onderzoekers hoe energie-, water- en gewasbeschermingsemissies tegelijk kunnen worden teruggedrongen.

Pompgroep voor klimaatregeling en verwarming
De pompgroep regelt de circulatie van warmte door de kas. Onderzoekers gebruiken de installatie om te testen hoe gewassen ook zonder fossiele brandstoffen onder de juiste klimaatomstandigheden kunnen worden geteeld.

Natuurlijke bescherming
Zakjes met natuurlijke vijanden helpen plaaginsecten onder controle te houden, zodat minder of geen chemische gewasbescherming nodig is.

Lichtsensor
Een PAR-sensor meet continu hoeveel fotosynthetisch actief licht (PAR) de planten ontvangen. Onderzoekers gebruiken deze gegevens om de LED-belichting, schermen en klimaatregeling optimaal op elkaar af te stemmen.
In de teelt van potanthurium werden dezelfde bankerplanten getest, maar hier zonder succes. Daarom werd in deze teelt een andere aanpak onderzocht: de inzet van experimentele natuurlijke vijanden, namelijk spinnen, tegen trips. Aan het begin werden er veel chemische middelen ingezet, maar vijf jaar later eindigden Leman en haar collega’s met nul bespuitingen per jaar.
De bankerplanten zijn een succesverhaal, zegt Leman. ‘In het begin waren gerberatelers er heel sceptisch over. Maar toen wij lieten zien wat er mogelijk is, werden ze langzaam toch enthousiast. Nu maken veel gerberatelers, ik denk wel 80%, er zelf ook gebruik van.’ Deze methode heeft ook nadelen, zo ervaarden de telers in de praktijk. Roofwantsen zijn omnivoren, die vinden het gewas ook lekker. ‘Als er te veel roofwantsen zijn en te weinig plaaginsecten, kunnen ze ook van de planten gaan eten die ze juist zouden moeten beschermen. Dus het is altijd een puzzel om het evenwicht te zoeken. Je bent nooit klaar.’
Blijven puzzelen
Zo blijven onderzoekers en telers puzzelen in de kas. ‘Als we aan de ene knop draaien, gebeurt er aan de andere kant ook iets’, zegt Kempkes. ‘En er zijn ook dingen die helemaal niet lukken. Maar het kan beter bij ons fout gaan dan in de praktijk.’ Ada Leman hoopt in de toekomst ook voor lastige teelten steeds meer strategieën te vinden die goed werken: ‘En er komen ook steeds nieuwe plagen bij, mede als gevolg van klimaatverandering en de internationale handel in plantmateriaal.’
‘De kas die wij hebben, gaat nooit op deze manier gebouwd worden’, besluit Kempkes. ‘We hebben ‘m zo ontworpen dat we heel flexibel te kunnen zijn: een kas waarin we meerdere gewassen tegelijk kunnen telen en zoveel mogelijk technische aanpassingen kunnen doen. Een ondernemer heeft dat allemaal niet nodig. Maar onderdelen van KAS 2030 worden overgenomen in de praktijk, en daar doe je het eigenlijk voor.’
Expert
Ook interessant
Volg Wageningen University & Research op social media
Blijf op de hoogte en lees meer op onze social kanalen.


