Ga naar de inhoud
LongreadPublicatiedatum: 15 januari 2026

Leuren met mest

Sinds de afbouw van de uitzonderingspositie voor Nederlandse melkveehouders om meer mest te mogen opbrengen dan de EU toestaat, ontstaat nóg meer aanbod op de mestmarkt.

Veehouders betalen niet alleen grof geld om van hun mest af te komen, ze moeten ook meer kunstmest inkopen, om toch voldoende voedingsstoffen op het land te brengen.

Tekst: Albert Sikkema | Foto: ANP/Nico Garstman.

Dit artikel verscheen in Wageningen World 2|2025, het magazine van Wageningen University & Research.

Al ruim veertig jaar wordt in Nederland meer mest geproduceerd door varkens-, koeien- en kippen dan veehouders en akkerbouwers vanwege de milieunormen kwijt kunnen op het land. Met name de varkens- en kippenmest gaat al decennia naar het buitenland, vooral naar akkerbouwregio’s in Midden-Duitsland en Noord-Frankrijk waar vraag is naar mest. Melkveehouders – met veel land – konden hun mest grotendeels nog wel kwijt op eigen weides of naburig akkerland.

Maar vorig jaar werd het opeens ‘mestcrisis’. De EU besloot dat de derogatie – de vrijstelling voor Nederlandse melkveehouders om meer mest dan eigenlijk is toegestaan uit te mogen rijden op hun land – moest worden afgebouwd. De stikstofgift per hectare moet stapsgewijs terug van maximaal 230-250 kilo in 2022 naar 170 kilo in 2026. Daardoor konden melkveehouders in 2024 opeens 15 procent minder mest kwijt op eigen land, en moesten ze de overtollige mest gaan verhandelen.

Zo ontstond nog meer aanbod op de mestmarkt. Dat is een bijzondere markt, want door het mestoverschot krijgen veehouders geen geld voor hun mest, nee, ze betalen de akkerbouwers die hun mest willen afnemen. Vorig jaar kostte de afzet van mest de veehouders 30 euro per kuub, twee keer zoveel als in 2022. Akkerbouwers noemen mest gekscherend een extra gewas, want ze verdienen goed geld – vaak tienduizenden euro’s per jaar – met het afnemen ervan.

Door het afbouwen van de derogatie konden melkveehouders in 2024 opeens 15 procent minder mest kwijt op eigen land, en moesten ze het overschot
gaan verhandelen.

Foto: ANP.

Foto: Shutterstock.

Foto: ANP.

Per diersector ziet de mestmarkt er anders uit. De intensieve varkenshouderij exporteert al jaren mest. Mesthandelaren hebben daarvoor vaak vaste afzetkanalen in het buitenland opgebouwd. De pluimveesector heeft een aparte afzetketen. Pluimveemest wordt merendeels verwerkt. Een deel wordt gedroogd en afgezet naar tuincentra en het buitenland. Daarnaast wordt de mest verbrand in een energiecentrale in Moerdijk. De pluimveehouders betalen daarvoor. De as, die waardevolle mineralen en fosfaat bevat, wordt eveneens geëxporteerd.

In 2024 kwam daar de extra overtollige mest van de melkveehouderij bij. Als gevolg nam de export van mest uit Nederland in 2025 toe. Volgens cijfers van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) steeg de mestexport in de eerste helft van 2025 met 30 procent ten opzichte van 2024.

Voor de export wordt de runder- en varkensmest eerst gescheiden in een dikke en dunne fractie. Vooral de dikke mestfractie – met veel fosfaat – gaat naar het buitenland. Ook de dunne fractie is een waardevolle meststof, met veel stikstof en kalium. Die wordt voor vervoer, vooral binnen Nederland, vaak ingedampt of geconcentreerd, om niet tankwagens met vooral water te verplaatsen. De afzetprijs wordt met name bepaald door de transport- en verwerkingskosten.

Opkoopregeling

Het afbouwen van de derogatie heeft al zijn weerslag op de Nederlandse veestapel en de mestproductie. Door de extra mestafzetkosten daalden de inkomens van veel veehouders fors, berekende Wageningen Economic Research in 2024. Dat was een extra duwtje in de rug voor boeren om deel te nemen aan de opkoopregelingen van de overheid, die daarmee de stikstofcrisis wil oplossen. Op landelijk niveau gaat het om circa 1.500 bedrijven. In juli maakte het CBS bekend dat de varkensstapel voor het eerst in 45 jaar onder de 10 miljoen dieren is gekomen. In 2018 waren er nog 12,4 miljoen varkens in Nederland.

Ook het aantal runderen daalde het afgelopen jaar, met 3,3 procent. Daarmee nam ook de mestproductie af. Die is in de afgelopen dertig jaar nog niet zo laag geweest, zegt Harm Smit, projectmanager Emissie en Mestverwaarding bij Wageningen Livestock Research. ‘Mijn verwachting is dat die daling doorzet in de komende jaren.’ Het effect daarvan is duidelijk merkbaar in specifieke gebieden. Zo is de ammoniakuitstoot in de Gelderse Vallei inmiddels met 30 procent gedaald door de opkoop van intensieve veehouderijbedrijven.

Plaatsingsruimte

Ondanks die daling van de mestproductie is er nog steeds een mestprobleem, want als gevolg van de afbouw van de derogatie daalt de zogenoemde wettelijke plaatsingsruimte voor mest in Nederland sneller dan de productie. ‘Zo blijven we in een situatie waarin boeren betalen voor de afzet van mest’, zegt Gerard Ros, milieuonderzoeker bij de leerstoelgroep Earth Systems and Global Change en onderzoeker bij het Nutriënten Management Instituut. ‘In 2024 produceerde 87 procent van de melkveebedrijven meer mest dan ze zelf konden gebruiken. Bij de varkens- en pluimveebedrijven was dat percentage 94 procent. Dat is problematisch.’

“90 procent van de bedrijven produceerde meer mest dan ze zelf konden gebruiken. Dat is problematisch”

Dit mestprobleem wordt de komende jaren eerder groter dan kleiner, denkt Ros. Vooral in de door de regering aangewezen ‘nutriëntverontreinigde gebieden’, waar nog te veel stikstof en fosfaat in het oppervlaktewater zit. In deze gebieden – grote delen van Brabant, Limburg, de Achterhoek en Twente – worden de mestnormen opnieuw strenger. Om de waterkwaliteit te verbeteren mogen de boeren er minder meststoffen op het land brengen.

In deze gebieden moeten de boeren opnieuw schipperen met manieren om een goede gewasopbrengst te realiseren met verschillende meststoffen. Zo heeft grasland per hectare jaarlijks 350 kilo stikstof nodig om optimaal te groeien. Vóór de afbouw van de derogatie mochten boeren 230 tot 250 kilo stikstof uit dierlijke mest toedienen, die ze aanvulden met 100 à 120 kilo kunstmest. Nu ze de dierlijke mestgift moeten verlagen naar 170 kilo, gaan ze meer kunstmest gebruiken om toch voldoende voedingsstoffen op het land te brengen.
Boeren beklagen zich over deze regelgeving, waardoor ze meer kunstmest moeten aankopen. Waarom niet meer eigen mest gebruiken? Ros: ‘We weten dat in dierlijke mest zo’n 70 procent van de stikstof effectief beschikbaar komt voor de planten, de andere 30 procent komt in de bodem en in het milieu terecht.’ Bij kunstmest is het merendeel van de voedingsstoffen direct opneembaar door de plant.

Renure i.p.v. mest

Maar er is een ontwikkeling gaande die de boeren kan helpen om de stikstofverliezen uit dierlijke mest te beperken. In september stemde het Nitraatcomité van de EU, met daarin mestexperts uit de Europese landen, in met toelating van Renure als kunstmestvervanger. Renure staat voor recovered nitrogen from manure; het is een bewerkte vorm van dierlijke mest, waarbij de voedingsstoffen, zoals stikstof, in een beter bruikbare vorm beschikbaar komen. Smit: ‘Zo kunnen boeren dus meer gebruikmaken van stikstof uit dierlijke mest en kunnen de meststoffen meer in de regio ingezet worden.’ Om Renure te produceren kunnen boeren kiezen voor verwerking op eigen bedrijf of via collectieve verwerkingsinstallaties, eventueel in combinatie met de productie van biogas.

“Met Renure kunnen boeren meer gebruikmaken van stikstof uit dierlijke mest”

De toelating van Renure zal de druk op de mestmarkt verlichten, want zo kunnen veehouders meer stikstof op eigen bedrijf houden. Maar er zitten ook haken en ogen aan. Uit onderzoek blijkt dat Renure een iets lagere effectiviteit heeft dan kunstmest, waardoor er kans is op emissies naar de lucht en water. Daarom stelt het Europese Renure-voorstel voorwaarden, zegt Smit. Zo moet het Renure-product meer dan 90 procent minerale stikstof bevatten, stikstof die direct beschikbaar is voor de planten, en mogen boeren maximaal 80 kilo Renure per hectare per jaar gebruiken. Ook moet de meststof met emissiearme techniek worden toegediend.

Al met al moeten veehouders fors investeren om gebruik te kunnen maken van Renure. En daarmee is het mestprobleem niet weg. De boeren zitten nog steeds in de afbouw van de derogatie, naar 170 kilo stikstof in 2026. Daarom moeten we niet gek opkijken als er in de lente van 2026 weer een mestcrisis is, zegt Ros. ‘Boeren mogen van 1 september tot 15 februari geen mest uitrijden. Maar de mestproductie gaat gewoon door, dus na de winter zitten alle mestputten vol. In het voorjaar wil iedereen zijn mest zo snel mogelijk kwijt. In 2024 was er een extreem nat voorjaar, waardoor de boeren niet met zware machines het land konden bemesten en er crisis ontstond. Afgelopen voorjaar was droog, dus de mest kon het land op. Maar als het komend voorjaar te nat is om mest uit te rijden, ontstaat er weer paniek.’

Oplossingen

Al met al blijft mest een kostenpost voor de Nederlandse landbouw. Is er een echte oplossing? Ros en Smit zien een combinatie van drie oplossingen. Ten eerste de veestapel verkleinen. Dit gebeurt nu vooral door opkoopregelingen van de Nederlandse overheid nabij natuurgebieden die kwetsbaar zijn voor stikstof. Ten tweede: de mestverwerking en -export verbeteren. De mestexport is dit jaar al fors gestegen en kan nog verder toenemen volgens het ministerie van LVVN, dat in 2025 op missie in Duitsland, Frankrijk, Polen en Roemenië was om de export van mestproducten te stimuleren. Ook de hoogwaardige mestverwerking voor binnenlands gebruik kan toenemen, nu mestproducten als Renure worden toegelaten.

Een derde oplossing ligt volgens de onderzoekers in het verlagen van het eiwitgehalte in veevoer. Eiwitrijk veevoer leidt tot mest met veel stikstof. Door het eiwitgehalte te verlagen, vermindert dus het stikstofprobleem. Wagenings praktijkonderzoek met melkveehouders wijst uit dat ze ook met lagere stikstofgehaltes in het voer een goede productie kunnen behalen, zonder dat dat ten koste gaat van de gezondheid. Als de uitkomsten van deze praktijkproeven breed worden toegepast, kan deze bronmaatregel forse effecten hebben op de nationale stikstofproductie. 

Contact

Follow Wageningen University & Research on social media

Stay up-to-date and learn more through our social channels.