Plantenveredelaar René Smulders: “Echte vooruitgang bereik je alleen door beter samen te werken”

- dr. MJM (Rene) Smulders
- Business Unit manager Plant Breeding
Van het ontwikkelen van tarwe met minder coeliakie-opwekkende gluten tot onderzoek naar de gevolgen van klimaatverandering voor gewassen en voedselzekerheid: het werkveld van René Smulders, Business Unit Manager Plant Breeding bij Wageningen University & Research (WUR), is altijd breed geweest. Per juni 2026 gaat hij met pensioen.
“De technologische ontwikkelingen in de plantenveredeling gaan razendsnel. Maar échte vooruitgang bereik je alleen door beter samen te werken.”
- René Smulders
- Business Unit Manager Plant Breeding
DNA-technieken zoals CRISPR-Cas kunnen in de nabije toekomst een belangrijke drijver worden voor de plantenveredeling, naast kruisingen met wilde varianten, denkt Smulders. “Tijdens mijn loopbaan hebben DNA-technieken zich snel ontwikkeld, en dat leidde tot grote ontwikkelingen in de veredelingsindustrie. Het gericht aanpassen van eigenschappen van planten biedt zoveel mogelijkheden. Denk aan plantenrassen die resistent zijn tegen verschillende ziekten en plagen tegelijk, iets wat steeds belangrijker wordt door klimaatverandering, zonder dat het decennia duurt om ze te maken.”
Smulders is niet bang dat veredelingstechnieken meer mogelijk maken dan wenselijk is. “Als we de groei van planten goed reguleren, kunnen we er het maximale uithalen.” Die technologische mogelijkheden vragen volgens hem wel om sterke kennis van planten en hun eigenschappen. “WUR moet ernaar streven om altijd voorop te blijven lopen. Door de mechanismen van planten beter te begrijpen, kunnen we duurzame resistenties ontwikkelen.”
Juist door deze snelle technologische ontwikkelingen wordt samenwerking steeds belangrijker, benadrukt Smulders. “Om maximaal gebruik te kunnen maken van technologie heb je niet alleen mensen nodig die weten hoe de techniek werkt. Het is belangrijk heel goed te weten welke genen je precies moet aanpassen. Kennis uit onderzoek blijft dus hard nodig.”
Tarwe en coeliakie
Het belang van samenwerking komt ook duidelijk naar voren in het onderzoek naar tarwe en coeliakie, vertelt Smulders. Coeliakie is een auto-immuunziekte waarbij het lichaam reageert op gluten, eiwitten in tarwe, gerst en rogge. Door die reactie raakt de dunne darm beschadigd, wat klachten kan geven zoals buikpijn, diarree en vermoeidheid.
“We werkten samen met medische specialisten en sleutelden met behulp van CRISPR-Cas aan het DNA van tarwe. Zo probeerden we gluten veiliger te maken voor mensen met coeliakie. De eerste planten laten zien dat het kan, maar ze zijn nu nog niet volledig veilig omdat tarwe zo veel verschillende glutengenen heeft.”
In theorie zouden mensen met coeliakie over een jaar of vijf à tien weer tarwe moeten kunnen eten, denkt Smulders. Maar dan moeten bedrijven daar wel brood in zien. De productie vraagt namelijk om een volledig gescheiden productieketen. “En dan is er nog de regelgeving”, zegt Smulders. “Voor het gebruik van CRISPR-Cas zijn de regels in de EU strenger dan in veel andere delen van de wereld, dat staat innovatie in de weg. Wel zit er een versoepeling van de regels aan te komen die het mogelijk zal maken om bijvoorbeeld een aantal glutengenen uit te schakelen.”
Jas aan de kapstok en het veld in
Smulders voelt zich thuis in het lab, maar laat zijn witte jas zonder aarzelen aan de kapstok hangen om het veld in te gaan, op zoek naar hei- en boomkikkers, planten en insecten. Samen met onderzoekers van de Environmental Sciences Group struinde hij door het landschap. “Er was op een gegeven moment budget om samenwerking tussen kenniseenheden te stimuleren. We combineerden onze genetische technieken met landschapsecologie. We onderzochten de genetische variatie binnen en tussen populaties kikkers, hoe groot populaties zijn en hoeveel individuen ze uitwisselen,” vertelt hij.
“Zonder voldoende uitwisseling zullen geïsoleerde populaties namelijk verdwijnen. Daarom onderzochten onze collega’s in welke landschappen de populaties verbonden waren en waar corridors nodig waren. Ons onderzoek liet zien dat uitwisseling afhangt van de afstand, maar ook waar het misgaat. Voor kikkers zijn wegen en kanalen bijvoorbeeld een extra barrière die dat patroon doorbreken.”
Smulders blikt trots terug op zijn loopbaan. Hij ziet zijn eerste dag in Wageningen, in 1991, nog zo voor zich. Het was een andere tijd, een andere organisatie. “De instituten waren eilandjes die toen net met elkaar verbonden werden door fusies,” vertelt hij. “Collega’s in andere gebouwen sprak je bijna niet.” Juist daarom noemt hij de latere integratie van de business unit Plant Breeding en de leerstoelgroep Plant Breeding een kantelpunt.
“Die stap heeft veel in gang gezet: gezamenlijke acquisitie van projecten, veel gezamenlijke PhD-studenten en inzet van Wageningen Research-onderzoeksassistenten in onderzoek en onderwijs van de leerstoelgroep. Samen bouwden we onze contacten met het bedrijfsleven uit en hebben we de groei van het aantal afstudeerprojecten en stageplekken opgevangen”, legt hij uit. “Onze gezamenlijke labs leveren een aanzienlijke kostenbesparing door minder vierkante meters, gedeelde apparatuur en een gezamenlijke pool van verbruiksmaterialen. Ik heb die samenwerking altijd gestimuleerd.”
Meer ruimte om elkaar te leren kennen
Om samenwerking binnen WUR verder te versterken heeft Smulders nog genoeg ideeën. “Samenwerkingen tussen business units en leerstoelgroepen zijn er wel binnen WUR, maar er zou zoveel meer kunnen. Je moet elkaar echter eerst leren kennen om te weten wat de meerwaarde van samenwerken is.” Daarom zouden er volgens hem veel meer activiteiten moeten komen waarbij mensen van verschillende afdelingen elkaar leren kennen. Ook pleit hij voor budget voor kleine gezamenlijke pilotonderzoeken. Aan jonge onderzoekers wil hij graag nog één boodschap meegeven: “Werk samen, deel projecten en regel financiën samen. Je hoeft het niet alleen te doen.”
Binnen WUR zijn er veel onderzoekers die vooral op papier met pensioen gaan, maar in de praktijk nog regelmatig in Wageningen te vinden zijn. Dat geldt ook voor Smulders. “In juni start ik met een project van tweeëneenhalf jaar: we gaan inventariseren wat nodig is voor een strategische onderzoeksagenda voor plantenveredeling in Europa. Het zal mijn laatste project zijn, maar ik heb er zin in. Samenwerken en blijven vernieuwen, precies de lijn die al sinds mijn eerste dag in Wageningen door mijn carrière loopt. Ik kan mijn vak nog niet helemaal loslaten.”
René Smulders in het kort
René Smulders studeerde vanaf 1977 biologie in Nijmegen. In 1991 kwam hij als onderzoeker naar Wageningen. Sinds 2012 is hij Business Unit Manager Plant Breeding. Zijn expertise ligt onder meer op het gebied van moleculaire genetica, moleculaire ecologie, coeliakie, hooikoorts en populatiegenetica. Hij heeft ook onderzoek gedaan aan onder meer roos, populier en appel. Vanaf juni 2026 gaat hij met pensioen.
Vragen?
Heeft u een vraag aan René Smulders? Neem contact op.

