De informele economie als motor van de voedseltransitie

“Wie echt betekenisvolle verandering wil realiseren in voedselsystemen in lage- en middeninkomenslanden, moet samenwerken met de informele economie.” Bart de Steenhuijsen Piters, senior onderzoeker voedselsystemen en voedselzekerheid aan Wageningen University & Research, laat daar geen misverstand over bestaan. Zijn overtuiging is gebaseerd op harde cijfers: in deze landen verloopt tussen de 50 en 70 procent van alle voedselhandel via de informele economie. Bij verse producten loopt dat aandeel zelfs op tot 70 à 80 procent.
Ondanks haar centrale rol in de voedselvoorziening van miljarden mensen blijft de informele economie in veel initiatieven om voedselsystemen te verbeteren grotendeels buiten beeld. “Overheden hebben moeite met informaliteit,” legt De Steenhuijsen Piters uit. “Straatverkopers, markthandelaren en transporteurs opereren vaak buiten formele regelgeving en betalen geen belasting. Daardoor zijn ze lastig te betrekken.” Investeerders en financiële instellingen lopen tegen vergelijkbare obstakels aan. “Voor financiering, of het nu om leningen of investeringen gaat, moeten bedrijven voldoen aan formele eisen. Voor veel kleinschalige ondernemingen in lage- en middeninkomenslanden zijn die eisen te kostbaar, te complex of simpelweg niet aantrekkelijk.”
Deze kloof zorgt ervoor dat projecten gericht op voedselzekerheid, voedselveiligheid en duurzaamheid hun doel voorbijschieten. Juist de actoren die de voedselsystemen in Afrika en Azië draaiende houden, blijven vaak buiten beschouwing. Tegelijkertijd is samenwerking met de informele economie cruciaal voor echte, blijvende verandering. Zij vormt niet alleen een levensader voor miljarden mensen, maar draagt ook bij aan armoedebestrijding, werkgelegenheid en toegang tot voedsel, ook voor de meest kwetsbaren.
Informele ondernemers centraal stellen
“Informele ondernemers moeten centraal staan in onze inspanningen,” stelt De Steenhuijsen Piters. “Door hen te betrekken bij besluitvorming, hun groei te ondersteunen en hun bijdrage te erkennen, kunnen we hun potentieel benutten voor de transformatie die voedselsystemen dringend nodig hebben.” Het gaat daarbij niet alleen om straatverkopers of kleinschalige boeren. Ook de zogenoemde middenketen is essentieel: verwerkers, verpakkers, transporteurs en distributeurs die productie met consumptie verbinden en ervoor zorgen dat voedsel efficiënt de markt bereikt.
Samenwerken met dit cruciale, maar vaak verkeerd begrepen deel van het voedselsysteem vraagt om een andere manier van denken. Beleidsmakers, investeerders en ontwikkelingsorganisaties moeten oplossingen ontwerpen die aansluiten bij de realiteit van informele ondernemers. “De informele economie is een motor van veerkracht en creativiteit,” zegt De Steenhuijsen Piters. “Door met deze actoren samen te werken in plaats van om hen heen, bouwen we voedselsystemen die inclusiever, robuuster en duurzamer zijn.” Bovendien heeft de informele economie tijdens crises, zoals gewapende conflicten of de COVID19-pandemie, keer op keer laten zien hoe veerkrachtig zij is.
Diagnostische toolbox voor meer inzicht
Is de informele economie te complex om gerichte verandering te realiseren? Volgens De Steenhuijsen Piters en zijn team zeker niet. Op basis van de uitgebreide expertise van Wageningen University & Research op het gebied van voedselsystemen en politieke economie ontwikkelden zij een diagnostische toolbox. Politieke economie verwijst naar de manier waarop macht, belangen en economische structuren samen beleidskeuzes en marktdynamiek beïnvloeden.
Met deze toolbox worden de complexe structuren van de informele economie inzichtelijk gemaakt en aangrijpingspunten voor verandering geïdentificeerd. “We beginnen bijvoorbeeld bij een specifieke waardeketen of sector en brengen de belangrijkste actoren in kaart,” legt De Steenhuijsen Piters uit. “We analyseren hun onderlinge relaties, motivaties en prikkels, maar ook belemmeringen, machtsverhoudingen en hun vermogen om te veranderen.”
Deze gestructureerde aanpak maakt duidelijk wie verandering kan aanjagen en wat hen motiveert. Bij voedselverspilling bijvoorbeeld wordt zichtbaar waar verspilling optreedt, wie daarbij betrokken is en welke prikkels actie kunnen stimuleren. “Het doel is een domino-effect,” aldus De Steenhuijsen Piters. “Een investering door één sleutelspeler kan bredere systeemverandering in gang zetten. Systemische problemen worden vaak niet opgelost door degene die het probleem ervaart, maar door belangen op elkaar af te stemmen en andere actoren in staat te stellen oplossingen en middelen te mobiliseren.”
Voorbeelden uit de praktijk
In Tanzania kampen vrouwelijke markthandelaren met inkomensverlies en voedselverspilling doordat zij aan het einde van de dag onverkochte waar moeten weggooien. “Een eenvoudige koelbox kan dat probleem oplossen,” zegt De Steenhuijsen Piters, “maar de vrouwen hebben geen kapitaal om die aan te schaffen.” Een lokale tussenhandelaar met toegang tot kapitaal durft niet te investeren, omdat de vrouwen moeite hebben in termijnen te betalen. Door samen te werken met een lokale bank werd een kredietconstructie opgezet. Zo konden tussenhandelaren investeren in koelsystemen en de vrouwen werkbare betalingsregelingen aanbieden. Deze interventie vermindert voedselverspilling, verhoogt inkomens en versterkt de veerkracht van de waardeketen.
In Benin erkennen overheden de belangrijke rol van straatverkopers in de voedselvoorziening. “Hun aanbod bevat vaak onvoldoende essentiële voedingsstoffen,” legt De Steenhuijsen Piters uit. Door samen te werken met honderden straatverkopers en een maatschappelijke organisatie werd spinazie, een zeer voedzaam product, aan het menu toegevoegd. In 2024 bereikte deze relatief eenvoudige ingreep bijna een half miljoen mensen. “Het laat zien hoe samenwerking met de informele sector concrete, dagelijkse verbeteringen kan opleveren.” Naast kennis van het voedselsysteem waren ook nieuwe partnerschappen en inzicht in de lokale politieke economie doorslaggevend.
Opschalen en partners zoeken
Hoewel deze voorbeelden kleinschalig lijken, zoekt het team voortdurend naar mogelijkheden om impact op te schalen. “Door structuren en processen in informele voedselsystemen grondig te begrijpen, zien we dat soms een nieuwe actor of prikkel voldoende is om een vastgelopen keten weer in beweging te brengen. Diezelfde mechanismen zijn vaak ook toepasbaar in andere ketens.”
Volgens De Steenhuijsen Piters bestaat nog altijd de misvatting dat economische ontwikkeling de informele economie vanzelf zal formaliseren. “Dat is niet zo. Overheden en investeerders moeten actief met informele actoren samenwerken en gezamenlijke doelen formuleren. Zij kunnen bovendien leren van de veerkracht die deze economie tijdens crises heeft getoond.”
De diagnostische toolbox vormt een stevige basis, maar verdere ontwikkeling is nodig. Het instrument moet in praktijksituaties worden getest om te laten zien hoe er concrete, uitvoerbare businesscases uit voortkomen. Daarom zoekt het team partners, waaronder impactinvesteerders en fondsen, die willen bijdragen aan deze laatste fase. Met hun steun kan een groot, nu grotendeels uitgesloten deel van de economie in Afrika en Azië worden ontsloten voor betekenisvolle verandering in informele voedselsystemen. Zoals De Steenhuijsen Piters het samenvat: een relatief kleine investering kan een groot en blijvend effect teweegbrengen.
Vragen?
Stel vragen over de informele economie aan onze deskundige:
Volg Wageningen University & Research op social media
Blijf op de hoogte en lees meer op onze social kanalen.