Effecten van mesttoedieningstechnieken op emissies en bodemkwaliteit onderzocht

- prof.dr.ir. GL (Gerard) Velthof
- Senior onderzoeker / Buitengewoon hoogleraar
Emissiearm bemesten verlaagt de ammoniakemissie en verhoogt de grasopbrengst, terwijl de bemestingsmethode nauwelijks verschil maakt voor het bodemleven. Zodenbemesting zorgt wel voor meer uitstoot van lachgas. Dat blijkt uit vijfjarig onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) en het Louis Bolk Instituut (LBI).
Sinds de jaren 90 is het (enkele uitzonderingen daargelaten) verboden om mest bovengronds uit te rijden om ammoniakverliezen bij het uitrijden van mest te verminderen. In plaats daarvan wordt mest tegenwoordig met sneden in de grond gewerkt of in dunne strookjes op het land gelegd. Sommige boeren zijn bang dat het insnijden van de graszode bij zodenbemesting schadelijk is voor het bodemleven zoals regenwormen, bacteriën en schimmels. Uit eerder onderzoek blijkt dat ‘inwerken’ of ‘injecteren’ van drijfmest de uitstoot van ammoniak sterk verlaagt ten opzichte van bovengronds uitrijden.
Het ministerie van LVVN vroeg WUR en het LBI om de verschillen tussen verschillende soorten mesttoediening op bodemkwaliteit, grasopbrengst en emissies van lachgas en nitraat in kaart te brengen. Uit het onderzoek blijkt dat bij insnijden of injecteren van mest, minder ammoniak naar de lucht verdwijnt, waardoor er meer stikstof in de bodem behouden blijft voor het gewas. Deze methode zorgt bij grasland voor een betere stikstofopname en een hogere gewasopbrengst ten opzichte van bovengronds uitrijden.
Geen nadelige effecten op het bodemleven
De onderzoekers vonden bovendien op korte en lange termijn geen duidelijke verschillen in bodemeigenschappen tussen percelen met bovengrondse bemesting en zodenbemesting. De aantallen en biomassa van regenwormen, nematoden, bacteriën en schimmels bleven in beide situaties vergelijkbaar.
Bodemstructuur, lachgas en nitraat
Op het gebied van bodemkwaliteit en gassen kwamen de volgende inzichten naar voren:
- Bodemstructuur en beworteling: Op praktijkpercelen waar langdurig bovengronds mest is uitgereden, werd een betere bodemstructuur en beworteling gemeten. Dit hangt waarschijnlijk samen met het gebruik van lichtere machines bij bovengrondse toediening ten opzichte van zwaardere mestinjecteurs.
- Scheurvorming bij droogte: Op kleihoudende percelen kan bij aanhoudende droogte meer scheurvorming optreden langs de snedes van de zodenbemester.
- Lachgas en nitraat: Zodenbemesting leidt tot een hogere emissie van lachgas (een broeikasgas), doordat er meer stikstof in de bodem wordt gebracht. De toedieningstechniek had geen effect op het risico voor nitraatuitspoeling.
Verschillen in bedrijfsvoering
De onderzoekers brachten ook de kenmerken van 40 melkveebedrijven in kaart. Bedrijven die mest bovengronds uitrijden, hebben gemiddeld een extensievere bedrijfsvoering met een lagere melkproductie en minder kunstmestgebruik. Daardoor bevat hun drijfmest gemiddeld minder stikstof en ammonium.
Wetenschappelijke onderbouwing voor beleid
Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). Het eindrapport levert onafhankelijke wetenschappelijke feiten over de milieueffecten en landbouwkundige gevolgen van mesttoediening.
Heeft u een vraag?
Heeft u een vraag rondom dit onderwerp of ziet u kansen om met ons samen te werken? Neem dan contact op met onze expert.