Ga naar de inhoud
NieuwsPublicatiedatum: 12 maart 2026

Minder eiwit in het rantsoen: wat betekent dat voor stikstof en methaan?

AH (Axel) van Ruitenbeek
WR Onderzoeker / Promovendus

Leidt langdurig minder eiwit voeren niet alleen tot lagere stikstofverliezen, maar ook tot veranderingen in methaanuitstoot? Onderzoekers van Wageningen University & Research (WUR) zochten dit uit in een meerjarige studie bij melkkoeien, gefinancierd door de Vereniging Diervoederonderzoek Nederland (VDN), LVVN en het Melkveefonds.

De melkveehouderij staat voor een grote opgave om de milieubelasting te verlagen. Minder eiwit in het rantsoen kan leiden tot een lagere stikstofuitscheiding, vooral via urine, en daarmee tot minder ammoniakemissie. Tegelijkertijd is het belangrijk dat dit niet ten koste gaat van dierprestaties of leidt tot ongewenste neveneffecten, zoals een hogere methaanuitstoot. Dit deel van het onderzoek richtte zich daarom specifiek op het stikstofmetabolisme én de methaanexcretie bij langdurig voeren van laag eiwit rantsoenen.

In het onderzoek werden 64 melkkoeien gevolgd gedurende twee volledige lactaties van elk minimaal 44 weken. De koeien kregen rantsoenen met een verschillend eiwitniveau, met als gerealiseerd gemiddeld eiwit gehalte 133, 143 en 154 g RE/kg DS voor de laag, midden en hoog eiwitgroep (zie ook ons eerdere nieuwsartikel). Daarmee lagen de eiwitgehaltes van alle drie de groepen onder het Nederlandse praktijkgemiddelde van 161 g RE/kg DS (CBS, 2024). De uitkomsten moeten dus worden gezien in de context van een relatief laag eiwit niveau. Gedurende de hele lactatie werden voeropname, melkproductie en methaanemissie continu gemeten. Aanvullend werden in het begin en midden van de lactatie mest- en urinemonsters verzameld, om naast de stikstofopname ook een volledig beeld te krijgen van de stikstofuitscheiding.

Lagere eiwitniveaus verlagen stikstofuitscheiding, vooral via urine

In ons vorige nieuwsartikel lieten we zien dat een verlaging van het ruw eiwitgehalte van 154 naar 143 g/kg DS mogelijk is zonder significant verlies in melkproductie of voeropname, terwijl een verdere verlaging naar 133 wel leidt tot duidelijk verminderde voeropname en melkproductie. Voor de stikstofopname geldt dat koeien in de laag eiwitgroep in beide lactaties minder stikstof opnamen dan koeien in de midden en hoog eiwitgroep. Over de gehele eerste lactatie bedroeg de stikstofopname respectievelijk 462 g/d voor de laag eiwitgroep, tegenover 548 en 590 g/d voor de midden en hoog eiwitgroep (Figuur 1).

Ook de uitscheiding van stikstof via de melk daalde in de laag eiwitgroep. Hierdoor was de stikstofbenutting voor melk het gunstigst in de laag eiwit-groep (34,8%) en het minst gunstig in de hoog eiwitgroep (31,9%). Dit patroon herhaalde zich in de tweede lactatie, wat laat zien dat de resultaten consistent waren over meerdere lactaties.

De grootste verschillen werden gevonden in de uitscheiding van stikstof via de urine. In de eerste lactatie bedroeg de urine-stikstofuitscheiding gemiddeld 105, 146 en 185 g/d voor respectievelijk laag, midden en hoog eiwitgroep (Figuur 1). Ook in de tweede lactatie was dit beeld vrijwel hetzelfde. De uitscheiding van stikstof via de mest verschilde daarentegen niet significant tussen de groepen. Dit bevestigt dat lagere eiwitniveaus met name leiden tot een sterke daling van de stikstofuitscheiding via urine, wat bijdraagt aan een lagere ammoniakemissie.

Geen extra methaan bij minder eiwit — tot een bepaalde grens

De totale methaanexcretie daalde in de eerste lactatie het bij de laag eiwitgroep (442 g/d), vergeleken met midden en hoog eiwitgroep (484 en 488 g/d; Figuur 2a). Wanneer methaan werd uitgedrukt per kilogram melk of per kilogram voeropname, verdwenen deze verschillen echter, doordat de laag eiwitgroep ook een verminderde melkgift en voeropname had. Hierdoor bleef de methaanproductie per eenheid melk of voer vergelijkbaar tussen de verschillende eiwitniveaus (Figuur 2b).

De resultaten schetsen een hoopvol beeld: het verlagen van het eiwitgehalte in het rantsoen leidt tot een duidelijke afname van de stikstofexcretie, vooral via de urine, zonder dat dit gepaard gaat met een toegenomen methaanuitstoot per kilogram melk. Tot 143 g RE/kg DS lukt dat zonder een verminderde voeropname en melkproductie, terwijl een verdere verlaging naar 133 g RE/kg DS wel leidt tot een verminderde voeropname en melkproductie. Daarmee biedt langdurig lager eiwit voeren tot 143 g RE/kg DS perspectief voor een duurzamere melkveehouderij, zodat milieuwinst kan worden geboekt zonder nieuwe klimaatnadelen of productieverlies te introduceren.

Figuur 1: Stikstof (N) opname en excretie van melkkoeien met verschillende eiwitgehaltes in het rantsoen van 133 (Laag RE), 143 (Midden RE) en 154 (Hoog RE) gram RE per kilo droge stof.

Figuur 2 (A en B): Methaan (CH₄) productie in totaal (A) en in relatie tot de melkproductie en voeropname (B) van melkkoeien met verschillende eiwitgehaltes in het rantsoen van 133 (Laag RE), 143 (Midden RE) en 154 (Hoog RE) gram RE per kilo droge stof.

Stikstof (N) opname en excretie van melkkoeien met verschillende eiwitgehaltes in het rantsoen van 133 (Laag RE), 143 (Midden RE) en 154 (Hoog RE) gram RE per kilo droge stof.
Methaan (CH₄) productie in totaal (A) en in relatie tot de melkproductie en voeropname (B) van melkkoeien met verschillende eiwitgehaltes in het rantsoen van 133 (Laag RE), 143 (Midden RE) en 154 (Hoog RE) gram RE per kilo droge stof.
Methaan (CH₄) productie in totaal (A) en in relatie tot de melkproductie en voeropname (B) van melkkoeien met verschillende eiwitgehaltes in het rantsoen van 133 (Laag RE), 143 (Midden RE) en 154 (Hoog RE) gram RE per kilo droge stof.

Heeft u een vraag?

Heeft u een vraag rondom dit onderwerp of ziet u kansen om met ons samen te werken? Neem dan contact op met onze expert.  

AH (Axel) van Ruitenbeek

WR Onderzoeker / Promovendus