Nederlanders kiezen voor natuur, ook als het lastig wordt

- F (Fransje) Langers
- WR Onderzoeker
De meeste Nederlanders zeggen dat ze natuur belangrijk vinden. Maar wat gebeurt er als ze moeten kiezen, bijvoorbeeld tussen landbouw en beschermde natuur, tussen bereikbaarheid en groen in de stad, of tussen recreatie en rust voor dieren? Nieuw onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) laat zien waar onze prioriteiten écht liggen.
Natuurbehoud kan in Nederland rekenen op brede steun. Dat blijkt uit het nieuwste draagvlakonderzoek van WUR, dat elke vier jaar meet hoe Nederlanders denken over natuur, beleid en hun eigen betrokkenheid bij natuur. Veel mensen vinden natuur belangrijk voor hun gezondheid en om tot rust te komen, en bijna de helft maakt zich zorgen over de toekomst ervan. Tegelijkertijd zetten mensen natuur niet bovenaan het lijstje van overheidsprioriteiten: gezondheidszorg krijgt die plek. Maar zodra het gesprek niet meer abstract is, en draait om concrete keuzes, wordt het pas echt interessant.
Wat als je moet kiezen?
In het onderzoek kregen burgers verschillende dilemma’s voorgelegd. Geen vrijblijvende vragen, maar echte spanningsvelden: meer landbouw of het behoud van wettelijk beschermde natuur? Betere bereikbaarheid of meer groen in de stad? Meer recreatiemogelijkheden of juist extra bescherming van planten en dieren?
In al deze gevallen koos een duidelijke meerderheid voor natuur. Beschermde natuurgebieden blijken voor veel Nederlanders belangrijker dan uitbreiding van landbouw. Vergroening van steden weegt zwaarder dan betere bereikbaarheid voor auto’s. En bescherming van soorten krijgt vaker voorrang boven ruimte voor recreatie. Met andere woorden: zodra belangen botsen, blijkt natuur voor veel mensen geen bijzaak, maar een serieuze prioriteit.
Niet alle keuzes zijn even eensgezind
Toch is de steun niet overal even vanzelfsprekend. Bij een aantal beladen onderwerpen lopen de meningen duidelijk meer uiteen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het stikstofbeleid, de aanwezigheid van de wolf in Nederland en de vraag hoeveel verantwoordelijkheid vrijwilligers moeten dragen in het beheer van de natuur. Hier is geen brede consensus; de samenleving zoekt zichtbaar naar een balans tussen natuur, economie en leefbaarheid.
We steunen natuur, maar wel op onze voorwaarden
‘Natuur’ is dus geen eenduidig thema. Het gaat niet alleen over mooie landschappen, maar ook over landbouw, veiligheid, ruimtegebruik en wie de rekening betaalt – in geld, tijd of moeite.
Die spanning zie je ook terug in hoe mensen zelf betrokken zijn. De meeste Nederlanders beleven natuur vooral als bezoeker: ze gaan graag naar natuurgebieden om te wandelen, te fietsen of tot rust te komen. Ook dragen ze bij met kleine, individuele acties, zoals afval opruimen of een nestkastje ophangen.
Maar als het gaat om intensiever meedoen, zoals onderhoud van natuur, het tellen van soorten of meedenken over beleid, dan blijft de betrokkenheid beperkt. Tijdgebrek is de meest genoemde reden. We kiezen bij dilemma’s vaak vóór natuur, maar we willen die keuze wel graag kunnen inpassen in een druk leven.
Wat zegt dit over het draagvlak?
In vergelijking met eerdere metingen is het maatschappelijke draagvlak voor de natuur in 2025 iets lager, al zijn de verschillen klein. Tegelijkertijd blijven veel patronen opvallend stabiel: de motieven om natuur belangrijk te vinden veranderen nauwelijks, net als de redenen om niet zelf actiever te worden. En nog steeds zien de meeste Nederlanders de overheid als de belangrijkste verantwoordelijke voor natuurbehoud.
De uitkomst is daarmee genuanceerd. Nederlanders zijn bereid om natuur voorrang te geven als belangen botsen. Maar die steun is niet onbeperkt, en niet zonder twijfel bij ingewikkelde vraagstukken. De echte vraag voor beleid is dus niet of mensen natuur belangrijk vinden (want dat vinden ze), de vraag is hoe je die steun vasthoudt en vertaalt naar beleidskeuzes die ook in de praktijk haalbaar zijn.

Deze afbeelding vat de inhoud van het nieuwsbericht samen. Ook laat het zien dat 22% van de ondervraagden zich weinig betrokken voelt bij natuur, 48% matig betrokken, 17% redelijk betrokken, en 13% zeer betrokken. Het toont voorbeelden van dilemma’s die de deelnemers werden voorgelegd, zoals ‘de wolf is een verrijking’ versus ‘de wolf geeft teveel overlast’, of ‘natuurinclusieve landbouw’ versus ‘productiegerichte landbouw’. Hoe betrokken mensen zijn bij de natuur, hangt samen met achtergrondkenmerken (zoals opleiding, inkomen, jeugdherinneringen) en hun waardeoriëntaties. De intrinsieke en relationele waardeoriëntaties – het belang dat mensen hechten aan natuur omwille van zichzelf en hun verbondenheid met de natuur – komen meer dan instrumentele waardeoriëntatie naar voren als relevant voor steun aan natuur- en duurzaamheidsbeleid. Weinig betrokkenen geven instrumentele waardeoriëntaties wat meer prioriteit.