Zalm, zeeforel en zeeprik kiezen hun eigen moment

- MP (Melanie) Meijer Zu Schlochtern, MSc
- Promovendus
Een nieuwe studie in Movement Ecology beschrijft hoe trekvissen de Haringvlietsluizen passeerden vóór de invoering van het Kierbeheer. De analyse, gebaseerd op gegevens van gezenderde vissen uit de periode 1996–2018, vormt een belangrijk referentiepunt voor vervolgonderzoek naar de effecten van het Kierbeheer op vismigratie.
WUR-promovendus Melanie Meijer zu Schlochtern analyseerde gegevens van 1.751 gezenderde Atlantische zalmen, zeeforellen en zeeprikken. Door deze gegevens te combineren met informatie over waterstanden, condities en sluisbeheer onderzocht zij welke omstandigheden bepalend waren voor passage van de Haringvlietsluizen.
Beperkte passagemomenten
De resultaten laten zien dat minder dan een derde van de trekvissen ook daadwerkelijk de Rijn-Maas delta intrekken, en dat deze vissen maar op beperkte momenten succesvol door de Haringvlietsluizen konden trekken. Vooral aan het einde van een spuiperiode blijken de omstandigheden gunstig. Bijna driekwart van alle succesvolle passages vond plaats in deze periode. Op dat moment wordt het verschil in waterstand tussen zee en rivier kleiner en nemen de stroomsnelheden door de sluizen af. Daarnaast laten de resultaten zien dat rivierafvoer belangrijk is voor het aantrekken van trekvissen voor stroomopwaartse migratie.
Op basis van de resultaten adviseren de auteurs om de sluizen langer open te houden bij lage stroomsnelheden, zodat trekvissen meer kansen krijgen om te passeren.
Ook bleek dat veel trekvissen, die allemaal gevangen en losgelaten waren aan de zeezijde van de Haringvlietsluizen, de Rijn en Maas niet via het Haringvliet bereikten, maar juist de alternatieve route via de haven van Rotterdam namen.
Passageverschillen tussen vissoorten
Naast het algemene patroon van passage aan het einde van spuiperiodes laat de studie ook duidelijke verschillen tussen de drie vissoorten zien. Zalm bleek het meest selectief in de omstandigheden waaronder de sluizen werden gepasseerd. De soort passeerde de sluizen alleen binnen een relatief beperkt venster van geschikte omstandigheden.
Vrijwel alle zalm en zeeforel passeerden de sluizen overdag, wat suggereert dat zicht voor deze soorten een belangrijke rol kan spelen bij het passeren van barrières. Zeeforel liet een veel gevarieerder patroon zien dan zalm. Deze soort passeerde onder uiteenlopende omstandigheden en deed er gemiddeld langer over om na loslaten bij de Haringvlietsluizen de rivier binnen te trekken. Zeeprik volgde weer een andere strategie. Deze soort migreerde uitsluitend binnen een beperkt deel van het jaar (april-mei) en maakte ook gebruik van de vissluizen in de pijlers van de sluizen wanneer de Haringvlietsluizen gesloten waren. Deze verschillen laten zien dat maatregelen om vismigratie te verbeteren niet automatisch voor alle soorten hetzelfde effect hebben.
Belang van langetermijngegevens
Dat de Haringvlietsluizen een barrière vormen voor trekvissen vermoedden we al, maar deze langetermijnstudie kon dat voor het eerst wetenschappelijk onderbouwen met gegevens uit meerdere decennia, zegt WUR-promovendus Melanie Meijer zu Schlochtern. “Onze resultaten laten zien dat soorten zoals zalm, zeeforel en zeeprik moeite hebben om de sluizen te passeren en dat gunstige omstandigheden met lage stroomsnelheden maar beperkt voorkomen. Vissen zouden daarom baat kunnen hebben bij langere periodes met dit soort gunstige omstandigheden, zoals onder het huidige Kierbeheer waarbij de sluizen langer openstaan wanneer water het Haringvliet instroomt. Dit onderzoek benadrukt ook het belang van langdurige monitoring en samenwerking om migratiepatronen goed te begrijpen. De eerste vissen werden hier al gevolgd in 1996, in een tijd waarin veel mensen thuis nog niet eens een computer hadden. Juist door gegevens uit zoveel jaren en uiteenlopende omstandigheden te combineren, ontstaat een robuust beeld van hoe trekvissen met deze barrières omgaan.”
Eerste stap in groter onderzoek
Deze studie richt zich op de situatie vóór de invoering van het Kierbeheer en is uitgevoerd in samenwerking met ATKB en gefinancierd door Rijkswaterstaat en het Ministerie van LVVN. In vervolgstudies onderzoekt Meijer zu Schlochtern met recent verzamelde veldgegevens hoe trekvissen reageren op het aangepaste sluisbeheer en welke effecten het Kierbeheer heeft op vismigratie.
Van belang voor trekvissen wereldwijd
Veel trekvissen staan wereldwijd onder druk doordat dammen, sluizen en andere barrières hun migratieroutes onderbreken. Tegelijkertijd worden estuaria en delta's steeds vaker aangepast om kustgebieden te beschermen tegen overstromingen en zeespiegelstijging. Daardoor wordt kennis over vismigratie bij dit soort barrières steeds belangrijker.
Heeft u een vraag?
Heeft u een vraag rondom dit onderwerp of ziet u kansen om met ons samen te werken? Neem dan contact op met onze expert.


