COP 17: De cruciale rol van inheemse volken in natuurbescherming
Arash Ghoddousi
Decennialang was natuurbescherming op veel plekken in de wereld vooral gericht op het beperken van menselijke invloed. Overheden dwongen inheemse volken en lokale gemeenschappen soms zelfs hun traditionele leefgebied te verlaten om beschermde natuurgebieden te creëren. Waar deze gemeenschappen ooit als een bedreiging voor de natuur werden gezien, zien Wageningse onderzoekers nu dat de erkenning voor hun kennis, ervaring en belangrijke rol in het behoud van biodiversiteit groeit. Tijdens de Biodiversiteitstop COP17, dit najaar in Yerevan, moet blijken in hoeverre die groeiende erkenning zich ook vertaalt in beleid en praktijk.
Wie op een satellietfoto naar delen van het Amazonegebied kijkt, ziet waarom een omslag in beleid en praktijk zo belangrijk is. Waar mijnbouw en andere vormen van extractie plaatsvinden, verschijnen bruine plekken in het landschap. Gebieden die door inheemse volken en lokale gemeenschappen worden beheerd, blijven vaak groen. Hun leefgebied kan zich bovendien ver uitstrekken: van de plek waar ze wonen tot gebieden waar ze vissen, jagen of hun vee laten grazen. Natuur en menselijk gebruik zijn er niet van elkaar gescheiden.
“Dat is geen toeval,” zegt Jelle Behagel, universitair hoofddocent Forest and Conservation Policy bij WUR. “Lokale gemeenschappen zijn voor hun levensonderhoud afhankelijk van hun omgeving en hebben er vaak sterke culturele en natuurlijke banden mee.” Generaties lang ontwikkelden zij kennis en gebruiken om van een gebied te leven zonder het uit te putten, zoals regels over wanneer er wel en niet wordt gejaagd. “De natuur is voor hen niet alleen een bron om van alles aan te onttrekken, maar onderdeel van een relatie waarin gebruik en herstel met elkaar in balans zijn.”
Wereldwijde cijfers onderstrepen het belang van deze gebieden voor de biodiversiteit. Inheemse volken beheren, of hebben landrechten over, meer dan een kwart van het wereldwijde landoppervlak. Ook andere mondiale studies wijzen op de relatief goede ecologische toestand van veel gebieden die worden beheerd door inheemse volken en lokale gemeenschappen. In de 83 landen waar de gebieden van inheemse volken in kaart zijn gebracht, overlappen deze met ongeveer een derde van de Key Biodiversity Areas. Tegelijkertijd staan veel van deze gebieden onder druk door mijnbouw, houtkap en andere vormen van grondstoffenwinning.
Van erkenning naar zeggenschap
In het internationale biodiversiteitsbeleid is de kijk op inheemse volken en lokale gemeenschappen het afgelopen decennium sterk veranderd. “Mensen worden niet langer alleen gezien als schadelijk voor de natuur. Ze kunnen er ook goed voor zorgen en haar helpen herstellen,” zegt Sylvia Karlsson-Vinkhuyzen, universitair hoofddocent Public Administration and Policy bij WUR. Dat betekent ook een andere kijk op natuurbescherming: natuur niet alleen beschermen door mensen buiten te sluiten, maar biodiversiteit behouden op plekken waar mensen wonen en haar gebruiken.
Die omslag past in een bredere beweging binnen het biodiversiteitsbeleid, aangeduid als transformative change. Daarbij gaat het niet alleen om het beter beschermen van afzonderlijke natuurgebieden, maar ook om het veranderen van de systemen, waarden en machtsverhoudingen die biodiversiteitsverlies veroorzaken. Dat vraagt ook om een andere blik op wie over natuur beslist, welke kennis daarbij meetelt en hoe lusten en lasten worden verdeeld.
Maar erkenning betekent niet automatisch zeggenschap. Staten bepalen nog altijd in belangrijke mate welke gebieden worden beschermd en hoe. “Inheemse volken hebben vaker een plek aan tafel, maar daarmee nog geen volwaardige stem,” zegt Karlsson-Vinkhuyzen. “Daarvoor zijn sterke rechten op land en natuurlijke hulpbronnen nodig en bovendien de mogelijkheid die rechten te handhaven.” Gemeenschappen staan soms tegenover mijnbouwbedrijven, goudwinning of illegale activiteiten met veel grotere financiële en politieke macht. “Vaak ontbreken de mogelijkheden om deze druk te weerstaan.”
Zeggenschap gaat bovendien niet alleen over wie juridisch over een gebied mag beslissen. Het gaat ook over de vraag: wiens wereldbeeld en kennis bepaalt hoe we naar dat landschap kijken?
Wie bepaalt wat kennis is?
Eeuwenlange omgang met een landschap leidt tot bioculturele diversiteit, waaronder kennis over planten, dieren en seizoenen, maar ook over de relaties tussen mensen, soorten en plaatsen. Toch werd deze kennis lange tijd alleen serieus genomen wanneer de wetenschap haar kon ‘valideren’. “We moeten af van het idee dat de wetenschap het monopolie heeft op wat kennis is,” zegt Maria Tengö, bijzonder hoogleraar Mens-Natuurrelaties in het Antropoceen bij WUR en onderzoeker bij het Stockholm Resilience Centre.
Tengö spreekt liever over het ‘verweven’ van kennissystemen. “In plaats van elementen uit Indigenous en lokale kennis te halen en in de wetenschap in te passen, blijven hierin verschillende kennissystemen naast elkaar bestaan en leren ze van elkaar.” Ook iemand zonder academische titel kan daarbij expert zijn: zijn of haar expertise ligt in decennia lange ervaring met het landschap. In de mede door Tengö ontwikkelde Multiple Evidence Base Approach geven de perspectieven van inheemse, wetenschappelijke en lokale kennissystemen ieder vanuit hun eigen achtergrond input en vullen elkaar aan. “Je begint niet met de vraag of kennis wetenschappelijk kan worden gevalideerd, maar met dialoog en elkaar beter leren begrijpen.”
Hoe waardevol dat kan zijn, blijkt uit onderzoek van Arash Ghoddousi, universitair docent Wildlife Ecology and Conservation bij WUR, in de Kalahariwoestijn: “Mijn promovendus wilde daar leeuwen monitoren, maar in dit uitgestrekte landschap bleek het erg moeilijk om ze te volgen. De inheemse San waren dankzij hun uitzonderlijke vaardigheden in het lezen van sporen veel beter in staat om aan de hand van kleine aanwijzingen in het zand vast te stellen waar leeuwen waren geweest. Door samen te werken, konden we hun waarnemingen benutten en kregen we veel beter inzicht in de ontwikkeling van de leeuwenpopulatie.”

Arash Ghoddousi
Close-up van een spoor van een Afrikaanse leeuw in het Kgalagadi Transfrontier Park in Botswana, waar de inheemse San helpen bij het in kaart brengen van de wilde dieren.
Onderzoek begint met luisteren
Als verschillende vormen van kennis serieus worden genomen, verandert dat ook de positie van de onderzoeker. “Lokale mensen werden vroeger vaak vooral gezien als vertalers of veldgidsen,” zegt Ghoddousi. “Maar zij zijn beheerders van het gebied en dragers van lokale kennis. Samenwerking moet daarom veel centraler staan in het ontwerp van ons onderzoek.” Dat kan betekenen dat ook de onderzoeksvraag kan veranderen. Toen Ghoddousi in Georgië onderzoek deed naar de effectiviteit van beschermde natuurgebieden, bleken lokale herders vooral met een ander probleem te zitten: aanvallen van wolven en beren op hun vee. De onderzoekers besloten die vraag in hun onderzoek mee te nemen.
Voor Bas Verschuuren, universitair hoofddocent Forest and Nature Conservation bij WUR, begint samenwerking al bij het eerste idee voor een onderzoeksplan. “Onderzoek is een gezamenlijk proces, geen kwestie van vinkjes zetten. Het is belangrijk om een relatie op te bouwen.” In Australië wilde hij bijvoorbeeld aanvankelijk traditionele kennis in beschermde natuurgebieden onderzoeken. Voor de lokale inheemse gemeenschap speelde echter vooral de vraag hoe recreatieve en beroepsvissers zich gedroegen in de Indigenous Protected Area, met name rond plekken die voor de gemeenschap heilig zijn. “Samen zijn we het gesprek aangegaan met het Department of Fisheries en hebben we een gedragscode ontwikkeld, die is toegelicht in een brochure die nu bij lokale sportviswinkels wordt verspreid. Met mijn inheemse collega’s heb ik ook een wetenschappelijk artikel gepubliceerd over hoe we dit onderzoek samen hebben uitgevoerd volgens een both-ways approach.”
Arash Ghoddousi
Lokale veehouders delen graslanden binnen beschermde gebieden met wilde dieren. Daarmee zijn zij een van de belangrijkste belanghebbenden bij natuurbehoud, maar in discussies over natuurbescherming worden zij vaak over het hoofd gezien. Nationaal Park Lagodekhi, Georgië.
Arash Ghoddousi
Inheemse volkeren en lokale gemeenschappen zijn vaak de ware hoeders van de natuur en leven in veel delen van de wereld binnen beschermde gebieden. Ngorongoro Conservation Area, Tanzania.
Grenzen respecteren
Samenwerken betekent ook grenzen respecteren. Verschuuren legt uit wat dat in de praktijk betekent: “Ik heb bijvoorbeeld afgesproken dat ik wel mag publiceren dát er in een Indigenous Protected Area heilige plaatsen zijn, maar niet waar die precies liggen of welke cultureel gevoelige kennis ermee verbonden is.” Volgens Verschuuren en Ghoddousi moeten duidelijke afspraken over het eigenaarschap en gebruik van data en kennis een vanzelfsprekend onderdeel zijn van onderzoek waarbij lokale gemeenschappen betrokken zijn. Ook instemming moet worden gezien als een doorlopend proces, niet als een eenmalige handtekening. “Je moet altijd een exitstrategie hebben voor het geval omstandigheden veranderen of een gemeenschap het onderzoek niet langer steunt,” zegt Ghoddousi.
Om deze principes in de praktijk te brengen, moeten onderzoekers weten hoe zij op een respectvolle manier kunnen samenwerken met inheemse volken en lokale gemeenschappen. Ghoddousi en Helen Newing van de University of Oxford leiden daarom samen het Common Ground-project, gefinancierd door het Wageningen Biodiversity Initiative. Binnen dit project ontwikkelen zij gezamenlijke aanbevelingen voor onderzoek naar natuurbescherming in gebieden van inheemse volken en lokale gemeenschappen. In juli 2026 brachten zij 33 onderzoekers, mensen uit de praktijk en vertegenwoordigers van inheemse volken en lokale gemeenschappen uit 19 landen bijeen om gezamenlijk een gedragscode voor dit soort onderzoek te ontwikkelen.

Jade Kandelaar
Deelnemers workshop Common Grounds, Wageningen, Netherlands
Meer zeggenschap in eigen kennis- en onderzoekscapaciteit
De ontwikkeling van natuurbescherming laat een duidelijke verschuiving zien: van onderzoek over inheemse volken en lokale gemeenschappen, naar onderzoek met hen en steeds vaker ook door hen. Dat vraagt wel om meer dan goede intenties alleen. “Vertrouwen opbouwen kost tijd,” zegt Ghoddousi. “En juist die tijd en het geld daarvoor ontbreekt vaak in academische onderzoeksprojecten.” Sommige gemeenschappen zijn zelfs ‘onderzoeksmoe’ omdat onderzoekers keer op keer langskomen terwijl resultaten nauwelijks worden teruggekoppeld.”
Die dynamiek is ook terug te zien in natuurbeheer. “Gemeenschappen hebben financiering nodig voor beheer en handhaving, maar ook om jongeren onderwijs te kunnen bieden waarin traditionele kennis wordt doorgegeven,” zegt Maria Tengö. Nu vertrekken jongeren voor onderwijs vaak naar steden en raakt de verbinding met het eigen gebied en de kennis daarover verzwakt. “De voorwaarden om kennis tussen generaties door te geven en handhaving te kunnen realiseren zijn belangrijk,” benadrukt ze.
ABC Futures-programma
Die voorwaarden stellen ook eisen aan de manier waarop onderzoek wordt georganiseerd. Een belangrijk uitgangspunt van het nieuwe ABC Futures-programma van WUR is daarom te investeren in de eigen kennis- en onderzoekscapaciteit van gemeenschappen. “Vijf Wageningse leerstoelgroepen werken daarin samen met promovendi in Suriname, Brazilië, Mozambique en Kenia en met masterstudenten uit lokale en inheemse gemeenschappen in deze landen,” vertelt Behagel, die het programma samen met Verschuuren coördineert. “Bij ABC Futures beginnen we bij de bedreigingen voor de biodiversiteit die de gemeenschappen zelf belangrijk vinden. Zo ontwikkelen we niet alleen samen nieuwe kennis, maar bouwen we ook lokale onderzoekscapaciteit op die direct aansluit bij de behoeften van de gemeenschappen.”
Het programma laat zien hoe het Wageningse onderzoek naar natuurbescherming zich ontwikkelt. Ecologische kennis wordt steeds nadrukkelijker verbonden met sociale en politieke vraagstukken en met kennis over landgebruik en landbouw. Behagel: “We doen in Wageningen al heel lang onderzoek naar natuurbeheer met lokale en inheemse gemeenschappen. Bovendien hebben we veel expertise op het gebied van duurzaam landgebruik en duurzame landbouw. Dat raakt direct aan de manier waarop veel lokale gemeenschappen van hun land leven en ervoor zorgen.”
Inheemse en lokale kennis in Europa
Wie bij inheemse volken vooral aan de Amazonevolkeren of de Inuit denkt, vergeet dat ook Europa inheemse volken kent, zoals de Sámi in Noord-Europa. “Ook in onze eigen samenleving kunnen we ons afvragen hoe de relatie tussen mensen en de natuur is veranderd,” zegt Maria Tengö. “Politiek bestuur was ooit veel sterker verbonden met landschappen en plekken. Beslissingen over land en natuurlijke hulpbronnen zijn steeds verder ‘losgezongen’.”
Tengö ziet in Europa bewegingen die zo'n relatie opnieuw proberen op te bouwen. “We noemen dat ook wel bioculturele benaderingen: manieren van leven en werken waarin cultuur en natuur niet als afzonderlijke werelden worden gezien.” Denk bijvoorbeeld aan mensen die zoeken naar meer regeneratieve vormen van landbouw en opnieuw proberen te begrijpen wat het betekent om niet alleen van, maar ook met een landschap te leven. “Dit soort lokale, plaatsgebonden kennis is in Europa deels verloren gegaan, maar er zijn ook bewegingen om dit opnieuw op te bouwen.”
Yerevan: van erkenning naar leren van inzichten
Tijdens COP17 in Yerevan wordt dit najaar voor het eerst gezamenlijk de balans opgemaakt van de uitvoering van het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework. Voor inheemse volken en lokale gemeenschappen is vooral de vraag wat de erkenning van hun rechten, territoria en kennis in de praktijk betekent. Krijgen zij ook echt meer zeggenschap en de financiële en juridische middelen om hun gebieden te beheren?
De Wageningse onderzoekers hopen vooral dat de groeiende aandacht voor inheemse en lokale kennis doorzet. Niet alleen omdat deze kennis erkenning verdient, maar ook omdat ze belangrijke inzichten kan bieden in hoe biodiversiteitsverlies kan worden tegengegaan. Hoe kun je van een landschap leven zonder het uit te putten? Hoe kun je natuurbeheer combineren met voedselproductie en bestaanszekerheid? Nu de internationale biodiversiteitsdoelen nog lang niet binnen bereik zijn, kunnen de ervaringen van deze gemeenschappen waardevolle lessen bieden over hoe mens en natuur samen kunnen leven. Dat roept ook een bredere vraag op die centraal staat tijdens COP17: is het voldoende om natuur te beschermen in specifieke gebieden, zoals nationale parken, of moeten ook de systemen die biodiversiteitsverlies op land en in zee veroorzaken fundamenteel veranderen?
“We moeten onze aandacht niet alleen richten op het halen van de 30-procentdoelstelling,” zegt Jelle Behagel. “Ook daarbuiten moeten we anders omgaan met natuur en natuurlijke hulpbronnen. Als we 30 procent beschermen, maar op de andere 70 procent gewoon doorgaan zoals we nu bezig zijn, dan gaan we het biodiversiteitsverlies niet stoppen.”
Van de Convention on Biological Diversity tot inheemse en lokale kennis
COP17 is de zeventiende biodiversiteitstop van de landen die zijn aangesloten bij het VN-Biodiversiteitsverdrag (CBD). Tijdens de top in Yerevan maken landen voor het eerst gezamenlijk de balans op van de uitvoering van het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework (GBF). Dit mondiale raamwerk werd in 2022 afgesproken om biodiversiteitsverlies uiterlijk in 2030 te stoppen en om te keren. Het bevat 23 doelen, waaronder de bekende afspraak om in 2030 minstens 30 procent van land, binnenwateren en zeeën effectief te behouden en beheren. Het GBF erkent expliciet de rol, rechten, territoria en kennis van inheemse volken en lokale gemeenschappen bij het behoud en herstel van biodiversiteit.
Wie zien we als inheemse volken en lokale gemeenschappen?
Er bestaat geen universele definitie van inheemse volken; zelfidentificatie is een belangrijk uitgangspunt. Lokale gemeenschappen zijn evenmin één duidelijk afgebakende groep. Het gaat bijvoorbeeld om gemeenschappen die al generaties verbonden zijn met een bepaald landschap en voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van landbouw, visserij, bos of andere natuurlijke hulpbronnen. Hun kennis ontstaat vaak uit die langdurige relatie met hun omgeving. Inheemse volken en lokale gemeenschappen worden daarom vaak samen aangeduid als IPLCs (Indigenous Peoples and Local Communities), maar hun identiteit, geschiedenis en juridische positie kunnen sterk verschillen.
Lees verder: ‘Participatief’ onderzoek naar natuurbescherming samen met inheemse volkeren en lokale gemeenschappen: veertien principes voor goede praktijk.


