‘Het belangrijkste noodpakket? Dat zijn je buren’

Desiree van den Bogaard
Desiree van den Bogaard
Nederlanders slaan waterflessen en batterijen in om voorbereid te zijn op een noodsituatie. Begrijpelijk, zegt crisiswetenschapper Jori Kalkman. Maar wie echt wil overleven bij een ramp, kan beter investeren in iets anders: sociale relaties. ‘Rampen zijn in de kern sociale gebeurtenissen.’
Tekst: Tessa Louwerens | Fotografie: Desiree van den Bogaard
Wat doen we als de stroom drie dagen uitvalt?’ Tijdens wijksessies van de veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond komen buurtbewoners samen om daarover na te denken. In eerste instantie gaat het dan over de praktische basis om te overleven: houdbaar voedsel, zaklampen en batterijen; de ingrediënten van een klassiek noodpakket.
Maar al snel komt de focus op iets anders te liggen. Iemand denkt aan een oudere buurvrouw die slecht ter been is en zonder stroom haar traplift niet kan gebruiken. En wat te doen met medicijnen die in de koelkast bewaard moeten worden? De aandacht verschuift: Wie heeft hulp nodig? Wie kan iets doen voor een ander?
Dit soort sessies zijn volgens Jori Kalkman misschien wel de beste voorbereiding op een ramp. ‘We denken vaak individueel. Maar ook al ben je het politiek totaal oneens met je buurman, als er iets gebeurt, heb je elkaar nodig. Het belangrijkste noodpakket, dat zijn je buren.’
“Al ben je het politiek oneens met je buurman, als er iets gebeurt, heb je elkaar nodig”
Kalkman is verbonden aan de Nederlandse Defensie Academie en sinds juli 2025 universitair hoofddocent bij de leerstoelgroep Sociology of Development and Change in Wageningen. Hij onderzoekt hoe de samenleving, hulpdiensten en krijgsmachten omgaan met rampen en crises. Hoe reageren gemeenschappen als het gewone leven plotseling stilvalt? Wie helpt wie, hoe organiseren mensen zich en wie wordt mogelijk vergeten?
‘In de overheidscampagnes ligt de nadruk vooral op individuele voorbereiding: zorg dat je jezelf 72 uur kunt redden’, zegt hij. ‘Dat klinkt logisch, maar de wetenschappelijke literatuur laat iets anders zien. Mensen komen crises meestal niet door dankzij hun individuele paraatheid, maar dankzij de hulp van anderen. In buurten waar mensen elkaar kennen en vertrouwen, zie je dat ze elkaar sneller helpen. Als je weet wie er naast je woont en wat iemand nodig kan hebben, sta je veel sterker. Zeker omdat vrienden of familie vaak verder weg wonen. Je buren zijn meestal als eerste ter plaatse.
‘Bovendien kan die nadruk op individuele voorbereiding ongelijkheid vergroten. Voor mensen met een laag inkomen is een noodpakket van honderd euro een grote uitgave. Juist zij zijn dan minder voorbereid, terwijl ze vaak al kwetsbaarder zijn.’

Foto: Desiree van den Bogaard
In films zie je vaak chaos en plunderingen na rampen.
Dat oogt niet heel hulpvaardig?
‘In ongeveer 95 procent van de gevallen gebeurt het tegenovergestelde: mensen worden socialer en meer empathisch. Na grote rampen vertellen mensen soms zelfs dat ze heimwee hebben naar het gevoel van verbondenheid dat direct na de ramp ontstond. Tijdens de aardbevingen in Turkije redden buren en lokale vrijwilligers de meeste slachtoffers nog voordat internationale teams arriveerden. Mijnwerkers groeven tunnels om mensen onder het puin vandaan te halen. Ook tijdens de coronacrisis ontstonden allerlei initiatieven om elkaar te helpen.
‘Dat laat zien hoe veerkrachtig samenlevingen kunnen zijn. Dat betekent ook dat overheden daarop moeten aansluiten. Bijvoorbeeld door ruimte te geven aan lokale buurtinitiatieven en vrijwilligersnetwerken, in plaats van alleen in te zetten op controleren en handhaven.’
Je stelt dat rampen de verschillen tussen mensen kunnen vergroten. Hoe werkt dat?
‘Neem orkaan Dorian op de Bahama’s in 2019. Veel inwoners konden evacueren of kregen hulp. Maar illegale migranten durfden daar soms niet om te vragen, uit angst om te worden uitgezet. Zij waren daardoor veel kwetsbaarder en ontvingen ook minder ondersteuning.
‘Dat patroon zien we steeds terug. Mensen met een lagere sociaaleconomische status wonen vaker in risicogebieden, hebben minder middelen om zich voor te bereiden en doen er langer over om weer op te krabbelen. Ook krijgen groepen met betere netwerken en communicatiemiddelen vaak als eerste hulp. Na een ramp liggen communicatiesystemen vaak plat. De wijken waar die het snelst weer werken, zijn meestal welvarender. Daar komen hulpdiensten dus als eerste terecht, terwijl kwetsbare groepen vaak harder geraakt zijn.
‘Hetzelfde natuurverschijnsel kan dus heel verschillende gevolgen hebben, afhankelijk van de sociale context. Politieke keuzes, ongelijkheid en vertrouwen in instituties bepalen mede wie het hardst geraakt wordt. Rampen kunnen zo de verschillen vergroten die er al waren.’
Hoe is rampenhulp inclusiever en rechtvaardiger te maken?
‘Diversiteit in crisisteams is cruciaal. Als beslissingen alleen worden genomen door mensen met een vergelijkbare achtergrond, nemen zij onbewust zichzelf als norm. Dat zie je terug in praktische dingen. Zo is er in crisisrespons vaak weinig aandacht voor problemen die vooral vrouwen treffen, zoals de toename van huiselijk geweld na rampen. Ook loopt noodhulp in sommige gevallen nog via mannen, omdat zij worden gezien als hoofd van het gezin. Daardoor krijgen vrouwen, zeker alleenstaande vrouwen, niet altijd de juiste ondersteuning. Noodpakketten zijn bovendien vaak ontworpen met de gemiddelde man in gedachten. Lange tijd ontbraken bijvoorbeeld menstruatieproducten of poedermelk.
‘Daarnaast is het belangrijk om mensen zelf te betrekken. Vraag wat ze nodig hebben. Na orkaan Dorian brachten hulporganisaties grote hoeveelheden voedsel en water, terwijl de grootste behoefte brandstof was. Door mensen serieus te nemen, maak je hulp effectiever én respecteer je hun waardigheid.’
Wat trok jou persoonlijk aan in dit vakgebied?
‘Ik ben altijd gefascineerd geweest door situaties waarin het gewone leven plotseling wordt onderbroken. Hoe reageren mensen dan? Hoe organiseren gemeenschappen zich? Als kind volgde ik al het nieuws over de tsunami in Azië. Later ontdekte ik dat je dat ook kunt bestuderen.
‘In Wageningen ligt veel nadruk op lokale gemeenschappen en hoe zij zelf oplossingen vinden. Dat vind ik inspirerend. Na rampen zie je soms bijna utopische momenten van solidariteit. Mensen denken ineens meer in het gemeenschappelijk belang, zoals bij de aardbevingen in Turkije waar we het eerder over hadden. Ik vraag me vaak af hoe je dat gevoel kunt vasthouden, ook als er geen crisis is.’
Je werkt ook bij de Nederlandse Defensie Academie. Niet per se een logische plek voor een Wageninger.
‘De krijgsmacht speelt vaak een belangrijke rol bij grote rampen – hoewel humanitaire hulpverlening geen kerntaak is voor militairen. De Nederlandse Defensie Academie is een soort mini-universiteit binnen defensie, waar wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan en waar ook academische onafhankelijkheid belangrijk is. Dat maakt het een interessante plek om deze vraagstukken te bestuderen. Ik krijg veel toegang tot praktijkervaringen en operaties, die ik kan analyseren vanuit sociaalwetenschappelijk perspectief. Militairen hebben enorm veel ervaring met opereren onder druk en in onzekere omstandigheden, maar sociaalwetenschappelijke kennis over crises ontbreekt soms nog. Daar kan onderzoek echt verschil maken. Bijvoorbeeld door inzicht te geven in hoe hulp beter kan aansluiten op de behoeften van getroffenen.’
Jori Kalkman (34)
2025: Universitair hoofddocent, Sociology of Development and Change, Wageningen University & Research.
2023: Boek Frontline Crisis Response: Operational Dilemmas in Emergency Services, Armed Forces, and Humanitarian Organizations.
2019–heden: Universitair (hoofd)docent, Nederlandse Defensie Academie.
2019: Promotie, Vrije Universiteit.
2015: MSc International Development Studies, Wageningen University & Research.
2013: BSc Politicologie, Vrije Universiteit.


Jori Kalkman (34)
2025: Universitair hoofddocent, Sociology of Development and Change, Wageningen University & Research.
2023: Boek Frontline Crisis Response: Operational Dilemmas in Emergency Services, Armed Forces, and Humanitarian Organizations.
2019–heden: Universitair (hoofd)docent, Nederlandse Defensie Academie.
2019: Promotie, Vrije Universiteit.
2015: MSc International Development Studies, Wageningen University & Research.
2013: BSc Politicologie, Vrije Universiteit.
Je schreef een boek over hoe hulpdiensten en krijgsmachten reageren op crises. Met welke dilemma’s krijgen zij te maken?
‘Je moet beslissingen nemen die levens kunnen redden, terwijl je weinig informatie hebt. Toch zijn hulpdiensten vaak zo georganiseerd dat overleg en coördinatie vooropstaan. Bij orkaan Katrina stemde het Amerikaanse leger bijvoorbeeld eerst uitgebreid af met civiele organisaties, waardoor hulp laat op gang kwam. De kustwacht koos voor directe inzet en redde veel mensen van daken en uit overstroomde huizen. Dat was misschien minder efficiënt, maar wel doeltreffend. De belangrijkste les is dat organisaties adaptief moeten zijn. Plannen zijn nuttig, maar je moet ze ook durven loslaten.’
Nederlanders voelen zich relatief veilig. Zijn we wel goed voorbereid?
‘We hebben de luxe dat er snel iemand op de stoep staat als we 112 bellen. Daardoor voelen we ons misschien niet zo kwetsbaar. We hebben weinig grote rampen meegemaakt, dus het risicobewustzijn is beperkt.
‘Maar risico’s nemen toe. Door klimaatverandering nemen extreme weersomstandigheden toe, met als gevolg meer natuurbranden en overstromingen. Zulke gebeurtenissen kunnen ook vitale infrastructuur beschadigen en leiden tot langdurige stroomstoringen. Tegelijk investeert Nederland vooral in militaire paraatheid. Mijn zorg is dat we straks goed voorbereid zijn op oorlog, maar onvoldoende op klimaatgerelateerde crises. Die kunnen ons hard raken.’
Als je beleidsmakers één advies zou mogen geven, wat zou dat zijn?
‘Investeer in sociale cohesie. Nu creëer je het beeld dat het straks ieder voor zich is. Dat moet je niet willen. Dan zijn sommige mensen wél goed voorbereid en zijn kwetsbare groepen de pineut.
‘Zorg dat mensen elkaar ontmoeten en zich verbonden voelen met hun buurt. Het ergste wat je kan overkomen tijdens een ramp is het gevoel dat je er alleen voor staat. Gemeenten kunnen daar veel in betekenen: buurtcentra, sportverenigingen toegankelijk maken, straatinitiatieven stimuleren. Uiteindelijk heb je er meer aan dat mensen zich zorgen om je maken dan aan een noodpakket waar je niet bij kunt omdat je huis is ingestort.’
Contact
Volg Wageningen University & Research op social media
Blijf op de hoogte en lees meer op onze social kanalen.