Ga naar de inhoud
NieuwsPublicatiedatum: 15 december 2025

Inkomensraming: Wat verdienden boeren en tuinders in 2025?

ir. HAB (Harold) van der Meulen
Senior Agrarisch bedrijfseconoom

Het jaar 2025 wordt voor de agrarische sector afgesloten met een positief resultaat: het gemiddelde inkomen van boeren en tuinders wordt €11.000 hoger geraamd dan vorig jaar. Maar de verschillen tussen bedrijven en sectoren zijn groot. Waar pluimveehouders, bloembollentelers en melkveebedrijven een behoorlijke winst maken, moeten glastuinbouw- en varkensbedrijven flink inleveren. 

Agrarisch bedrijfseconoom Harold van der Meulen zag 2025 als “een bewogen jaar” voor de Nederlandse land- en tuinbouwsectoren. “De vogelgriep bijvoorbeeld houdt de gemoederen bezig in de pluimveesector. Er is ook een hoge importheffing voor varkensvlees in China ingesteld, wat voor de varkensbedrijven een forse prijsdaling in gang zette. En de glastuinbouw kampt met gestegen energieprijzen en hogere productiekosten.”

Gemiddeld inkomen verbeterd

Toch weten de sectoren gezamenlijk een positieve balans te houden. Het gemiddelde bruto-inkomen uit bedrijf per onbetaalde arbeidsjaareenheid (aje), dus per arbeidskracht die in een jaar 2.000 uur of meer werkt, wordt geraamd op €129.000. Dat is €11.000 meer dan het gemiddelde inkomen van 2024, en €30.000 hoger dan het gemiddelde over de jaren 2020-2024. 

Op deze infographic vind je drie kolommen. De eerste kolom toont het gemiddelde inkomen land- en tuinbouw 2025, namelijk €129.000. Dat is een stijging van € 11.000, ofwel 9%, ten opzichte van 2024. Het gaat om inkomen uit bedrijf per onbetaalde arbeidsjaareenheid. Informatie 2025 is gebaseerd op ramingen. De tweede kolom bevat de grootste inkomenswijzigingen 2025. Dat zijn in het groen leghennen +€235.000; bloembollen + €168.000; en in het rood varkens -€89.000 en glasgroente -€76.000. De derde kolom licht de melkveehouderij uit. Een grafiek laat de fluctuerende inkomens tussen 2021 en 2025 zien: van €45.000 naar €121.000 naar €64.000 naar €74.000 naar €120.000. De prijs van melk is met 9% gestegen, die van krachtvoer met 8 % gedaald, en die van mestafzet met 28% gestegen. 

Verschillen tussen de sectoren

De bloembollentelers sluiten het jaar af met sterke resultaten. Dankzij de gunstige marktprijzen behalen zij een gemiddeld inkomen van € 440.000 per oaje. Ook de snijbloemenbedrijven deden het goed en realiseerden opnieuw een bovengemiddeld inkomen van € 372.000 per oaje. De melkveehouders profiteren van hogere melk- en veeprijzen, waardoor hun gemiddelde inkomen stijgt naar € 120.000 per oaje. Dit geldt ook voor de biologische melkveehouders, met een gemiddeld inkomen van € 90.000 per oaje.

In de varkenshouderij is het beeld juist omgekeerd: het inkomen per oaje daalt van € 259.000 in 2024 naar € 171.000 in 2025. Deze terugval wordt veroorzaakt door een verslechterde exportpositie en een verzadigde Europese markt. Ook het inkomen van akkerbouwers daalt in 2025 naar gemiddeld € 60.000 per oaje door lagere prijzen, veroorzaakt door gunstige teeltomstandigheden in Noordwest-Europa en daarbuiten, waar veel gewassen hogere kilo-opbrengsten opleverden. Licht stijgende kosten versterken deze daling.

Vogelgriep

Hoewel de vogelgriep voor sommige pluimveebedrijven een ramp betekent, zijn er ook voordelen voor anderen: de eierprijzen zijn gemiddeld met 20% gestegen door de schaarste. De vraag naar eieren blijft goed en wereldwijd is het aanbod krap, waardoor een deel van de leghennenhouders nu veel verdient, gemiddeld ongeveer € 575.000 per oaje. De toenemende vraag naar pluimveevlees zorgt ook bij vleeskuikenhouders voor goede inkomsten.

Onzekerheid rondom beleid

Volgens Van der Meulen komt het gemiddelde inkomen in de land- en tuinbouw dit jaar voor de vierde keer op rij boven de € 100.000 per oaje uit, wat laat zien dat de sector als geheel financieel goed draait. Tegelijkertijd merkt hij dat de verschillen tussen en binnen sectoren toenemen, waardoor het beeld minder eenduidig is.

De grootste uitdaging voor ondernemers blijft volgens hem de voortdurende beleidsonzekerheid. "Als je de middelen hebt om te investeren, weet je nu niet waarin te investeren," zegt Van der Meulen. "Die onzekerheid maakt het lastig om toekomstplannen te maken."

Heeft u een vraag?

Heeft u een vraag rondom dit onderwerp of ziet u kansen om met ons samen te werken? Neem dan contact op met onze expert.  

ir. HAB (Harold) van der Meulen

Senior Agrarisch bedrijfseconoom

Tegelijk met de inkomensraming van Wageningen Social & Economic Research presenteert het CBS in samenwerking met Wageningen Social & Economic Research ook de macro-economische cijfers van de land- en tuinbouw.  U leest het bericht van CBS hier.