Het ecosysteem van biologische landbouw: op zoek naar richting en ruimte voor groei

- dr. L (Lan) van Wassenaer, MSc
- Senior Scientist
Er zijn wel duizend hardnekkige aannames over biologische landbouw, zo ontdekte senior econoom Lan van Wassenaer tijdens haar onderzoek naar stimuleringsmaatregelen voor de biologische landbouw in Nederland. Van ‘biologisch is voor geitenwollensokken’ tot ‘consumenten vinden biologisch eten te duur’. Hoe doe je onderzoek naar een onderwerp waar zoveel overtuigingen en belangen samenkomen?
Biologische landbouw is niet je gebruikelijke tak van onderzoek. Waarom heb jij je hierin verdiept?
“Biologische landbouw staat al ruim 30 jaar op de agenda van beleid en onderzoek. Vanaf de zijlijn volg ik zelf de ontwikkelingen inmiddels al ruim twintig jaar, soms op het werk, soms ook in mijn eigen leven. Aan de koffietafel spreken mijn collega’s regelmatig over de zin en onzin van biologisch: is biologisch de duurzaamste vorm van landbouw? Kan biologisch de wereld voeden? Is regeneratief nog beter dan biologisch? Om zo maar een paar te noemen. Thuis hoor ik weer andere anekdotes over biologisch boeren en eten, van vroeger (in de tijd van ‘geitenwollensokken’) of van elders (landen waar de regels voor biologisch niet zo nauw worden genomen). Kortom: ik lees en hoor genoeg om te weten dat het onderwerp met enige regelmaat terugkeert, en genoeg om te beseffen dat ik er nooit eerder goed voor was gaan zitten. Biologisch was namelijk niet echt mijn focus area, zoals het zo mooi heet.
Dat veranderde met een recente deep dive in dit onderzoek (zie het rapport uit juli 2026). De ambitie van de overheid om toe te werken naar 15% biologisch areaal in 2030 heeft een versnelling ingezet in beleid, en daarmee ook urgentie voor onderzoek. De vraag die aan ons werd voorgelegd, was afgebakend: welke maatregelen zijn het meest kansrijk om, in aanvulling op het Actieplan, de vraag naar biologische producten in Nederland verder te stimuleren? Binnen die kaders konden we goed aan de slag. Het rapport licht twee maatregelen uit: inkoopcommitment door de overheid en publieke instellingen ('green public procurement') en inkoopverplichtingen voor ketenpartijen. Geen van beide is een wondermiddel: elk kent zijn mitsen en maren, en de randvoorwaarden die vervuld moeten zijn voordat ze werken.”

Tijdens haar onderzoek ontdekte econoom Lan van Wassenaer wel duizend hardnekkige aannames over biologische landbouw.
Wat maakte dit onderzoek zo ingewikkeld?
“Het was een intens en leerzaam traject, met vele (vaak kritische) gesprekken onderling en met stakeholders. Want is dit eigenlijk wel de juiste vraag? Moeten we niet eerst duidelijk hebben waarom we 15% biologisch areaal willen? Als toegepaste onderzoekers hebben we niet altijd voor het zeggen wát er onderzocht wordt, maar kunnen we wel aangeven wat de grotere vragen zijn, en waar we genoegen moeten nemen met aannames gezien de praktische beperkingen.
Ik dook daarbij dieper in de materie dan in twintig jaar aan de zijlijn was gebeurd, en hoewel ik al veel wist, werd ik onderweg toch meermaals verrast. Wat bleek al snel: er zijn geen twee of drie hardnekkige misverstanden of aannames, er zijn er wel duizend. Over wie de biologische boer is en wat hen drijft. Over wat de consument nu precies tegenhoudt. Over of een inkoopverplichting het probleem oplost of alleen verplaatst. Elke vraag opende weer een nieuwe, en elke invalshoek – agronomisch, economisch, ethisch, gedragswetenschappelijk, beleidsmatig - gaf een net iets ander antwoord.
Het rapport is inmiddels de deur uit. Het is niet meer van mij. Toch is het leuk om terug te kijken en te reflecteren op een aantal aannames of mythes die in het rapport zelf maar beperkt aan bod komen.”
Mythe 1: Dé biologische boer bestaat
“De eerste aanname zit al bij de bron: het idee dat ‘de biologische boer’ een herkenbaar, uniform type is. Er zijn boeren die volgens het EU-biologisch keurmerk werken, in Nederland gecertificeerd door Skal: gereguleerd, controleerbaar en herkenbaar aan het logo. En er zijn boeren die volgens biologische of agro-ecologische principes werken zonder (volledig) gecertificeerd te zijn. Die laatste groep telt niet mee in de arealenstatistiek, terwijl ze wel bijdraagt aan wat de 15%-ambitie in essentie beoogt. Is biologisch daarmee een niche, of een certificeringsvraagstuk dat een bredere praktijkverandering onzichtbaar maakt?
Ook hun motivatie loopt uiteen: intrinsiek gedreven boeren kiezen vanuit overtuiging over bodem, dier en landschap, vaak al voordat er een sluitende businesscase is; marktkans-gedreven boeren schakelen om omdat ze een prijspremie of nichemarkt zien. Beleid dat uitgaat van de eerste groep, dus een narratief over waarden, activeert de tweede groep niet, die rekent.
Daar komt bij dat omschakelen een andere kennisbasis vraagt: bodemvruchtbaarheid managen zonder kunstmest, mechanische onkruidbestrijding, diergezondheid zonder routinematig antibioticagebruik. Dat is een leerproces, geen kwestie van één input weglaten. En tijdens de omschakelperiode van twee tot drie jaar draagt een boer al wel de lasten, maar nog niet de baten.
En dan is er nog een groep die vooral móet: boeren die onder druk van stikstofbeleid, KRW-doelen of een verzwakt verdienmodel in de gangbare landbouw naar biologisch, of iets dat er dichtbij komt, toe bewegen. Niet uit overtuiging, maar bij gebrek aan alternatief.”
Mythe 2: De consument moet veranderen
“De tweede aanname is misschien wel de hardnekkigste: dat de consument de sleutel is die geïnformeerd en overtuigd moet worden om biologisch te eten. Maar moet de overheid ons wel vertellen wat we het best kunnen eten? En op grond waarvan? Waar ligt dan de grens voor individuele keuzes?
Marktvraag is niet hetzelfde als individuele consumentenvraag. Een groot deel van de vraag wordt helemaal niet aan de kassa besloten, maar via inkoopbeleid van instellingen, de verwerkingscapaciteit en cateringcontracten. Men eet gewoon wat de pot schaft. Wie vraagstimulering versmalt tot het veranderen van consumentengedrag, optimaliseert voor het makkelijkst meetbare stukje en mist de hefbomen die sneller werken.
Ook de aanname dat prijs de enige (of belangrijkste) drempel is, houdt geen stand. Mensen betalen voor betekenis, niet alleen voor kilo's: een goed verhaal, vertrouwen in het systeem achter een keurmerk, en beleving rond voedsel doen er net zo goed toe. En daar zit een onderscheid dat in beleid vaak wordt verward. Bereidheid om te betalen (willingness to pay) zegt iets over hoeveel waarde iemand aan een product hecht; betaalbaarheid gaat over de vraag of iemand er daadwerkelijk het budget voor heeft. Maatregelen die op het eerste inzetten lossen geen betaalbaarheidsprobleem op. Andersom verandert een prijsverlaging niet automatisch de waardering.”
Mythe 3: Verplichten lost het probleem op
“De derde aanname zit in het instrument dat vaak als ultieme maatregel wordt gepresenteerd: als je een minimumaandeel biologisch in publieke inkoop of verwerking verplicht, volgt de vraag vanzelf. Op papier is dat eenvoudig, mits er een wettelijke basis voor gevonden kan worden. In de praktijk stuit zo’n verplichting op allerlei vragen: hoe zorg je ervoor dat het verplichte volume daadwerkelijk van Nederlandse bodem komt? Hoe definieer je ‘herkomst’ als een Europese standaarddefinitie ontbreekt? Hoe borg je dat het biologische aandeel in een verwerkingsketen herleidbaar en betrouwbaar blijft, ook als partijen onderweg worden gemengd? Groeien binnenlandse verwerkingscapaciteit en aanbod snel genoeg mee om aan een inkoopverplichting te kunnen voldoen, of wordt het tekort simpelweg opgevuld met import?
Een verplichting die vraag afdwingt zonder dat aanbod, verwerking en boer tegelijk meebewegen, verplaatst het probleem eerder dan dat ze het oplost. Dit is precies het risico waar de overheid voor moet waken in haar rol van launching customer: de eerste, gegarandeerde afnemer die de markt op gang moet trekken, zonder dat de rest van de keten daadwerkelijk meegroeit.“

Dutch_Photos / Shutterstock.com
Volgens van Wassenaer is er een kip-en-ei-probleem rondom vraag en aanbod van biologisch in Nederland.
Waarom zijn die aannames een probleem?
“Als het om de groei van biologische productie en consumptie gaat, is er geen gebrek aan theorieën en voorstellen. Maar probeer je de onderliggende Theory of Change te doorgronden, dan kom je vaak niet veel verder dan wishful thinking of aannames. Na verloop van tijd werd één patroon steeds duidelijker: bijna elke aanname in dit dossier ontstaat doordat een complex, samenhangend systeem wordt teruggebracht tot één schakel. De boer die niet zou willen of kunnen. De consument die niet zou willen of kunnen betalen. De overheid die maar zou moeten stimuleren of voorschrijven. Al die veronderstellingen zijn niet fout, maar ze zijn onvolledig: ze isoleren één onderdeel van een systeem dat alleen als geheel functioneert.
Dat inzicht bracht de zoektocht naar de beste route om dit onderwerp te behandelen: niet vraag voor vraag, aanname voor aanname, maar via de samenhang zelf. Zoals in het rapport wordt benoemd, is er een kip-en-ei-probleem rondom vraag en aanbod van biologisch in Nederland. Alleen richten op productie óf consumptie kan het probleem eerder verergeren dan oplossen: want zonder aanbod is het lastig de vraag te stimuleren, en zonder vraag is het lastig het aanbod te laten groeien.”
Wat werkt dan wél?
“Ik zie de oplossing als een ecosysteembenadering: bekijk boer, consument, keten, maatschappelijke organisaties en beleid niet los van elkaar, maar als onderdelen die elkaar voortdurend beïnvloeden. Als de overheid dit wil sturen, vraagt dat allereerst om een duurzaamheidsvisie: zonder een heldere richting blijven maatregelen als een inkoopverplichting losse instrumenten zonder gezamenlijk doel.
Wat is daarna nodig? Een contractplatform dat vraag en aanbod helpt te matchen, nu en in de toekomst: door partijen met elkaar in contact te brengen nog vóórdat de vraag of het aanbod er daadwerkelijk is, zodat boeren en inkopers elkaar kunnen vinden op basis van toekomstige contracten in plaats van bestaande volumes. Zo'n contractplatform biedt ook ruimte voor omschakelende producten: boeren die nog midden in de omschakeling naar biologisch zitten, kunnen alvast afzet vastleggen voordat hun product het volledige biologische keurmerk draagt. Dat verkleint het omschakelrisico en doorbreekt de kip-ei-dynamiek.”

Van Wassenaer ziet de oplossing als een ecosysteembenadering. Als de overheid dit wil sturen, vraagt dat allereerst om een duurzaamheidsvisie.
Wat neem je mee uit dit onderzoek?
“Ik kijk terug met gemengde gevoelens. Ik ben blij dat het rapport af is en de opdrachtgever verder kan, maar het is ook jammer dat er nog best veel vragen openstaan over de groei van het biologisch areaal. Ik had ze allemaal liever wél kunnen beantwoorden.
Eén inzicht is bij mij blijven hangen: er is veel stimulering, maar groei heeft vooral ruimte en tijd nodig en een beleid dat consistent, gedragen en duidelijk is. Als die richting er is, wordt het vinden van effectieve maatregelen een stuk makkelijker.”
Lees het volledige rapport
van Wassenaer, L., Immink, V., Kremer, F., van Ruiten, C., & van Wonderen, D. (2026). Stimulering van de vraag naar biologische landbouwproducten uit Nederland: analyse van twee kansrijke beleidsmaatregelen aanvullend op het Actieplan Groei van Biologische Productie en Consumptie.
Neem contact op
Heeft u een vraag over dit onderzoek rondom stimuleringsmaatregelen voor de biologische landbouw, of ziet u kansen om samen te werken? Neem contact op met onze expert.


