Ontwikkelrichtingen voor de Nederlandse landbouw in 2050

Nieuws

Ontwikkelrichtingen voor de Nederlandse landbouw in 2050

Gepubliceerd op
17 april 2020

Hoe zien landbouw en landgebruik in Nederland er over 30 jaar uit? Onderzoekers van Wageningen University & Research (WUR) hebben vier theoretische scenario’s uitgewerkt voor landbouw en landgebruik in 2050 en de milieukundige, maatschappelijke, ecologische en economische consequenties daarvan. Deze studie laat zien dat er veel (technische) maatregelen mogelijk zijn die bijdragen aan het behalen van de klimaat- en milieudoelen.

In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt over landbouw en landgebruik in 2030 met een doorkijk naar 2050. In opdracht van de sectortafel Landbouw en Landgebruik van het Klimaatakkoord, heeft WUR aan de hand van vier theoretische scenario’s verkend hoe de Nederlandse landbouw in 2050 aan de klimaat- en milieudoelen kan voldoen. Het gaat om ‘extreme scenario’s’ met uiterste varianten. De studie is dan ook niet bedoeld om een keuze te maken uit een van de scenario’s, maar om aanknopingspunten te geven voor een onderbouwde discussie over de ontwikkelrichting van de landbouw op lange termijn.

4 scenario's: potentiële ontwikkelrichtingen

In de vier scenario’s is onderscheid gemaakt naar de ontwikkelrichting van de landbouw (productiegerichte bedrijfsvoering versus natuurinclusieve bedrijfsvoering) en klimaat- en milieudoelen (voorgenomen doelen versus strikte doelen). Voor ieder scenario is een pakket aan maatregelen gedefinieerd. In de productiegerichte scenario’s zijn meer technische maatregelen gebruikt dan in de natuurinclusieve scenario’s. In de natuurinclusieve scenario’s zijn de productiviteitsstijging, het gebruik van snijmais en het gebruik van toevoegmiddelen aan dier en bodem beperkt.

Schematische weergave van de opzet van de studie: vier scenario’s waarin op een verschillende manier invulling wordt gegeven aan beleidsdoelen voor de landbouw in 2050.
Schematische weergave van de opzet van de studie: vier scenario’s waarin op een verschillende manier invulling wordt gegeven aan beleidsdoelen voor de landbouw in 2050.

Aannames

De uitkomsten van de scenario’s zijn vergeleken met een referentiescenario dat uitgaat van bestaand beleid, zonder dat er extra maatregelen worden genomen. Autonome ontwikkelingen zoals veranderingen in voedselconsumptie en dierlijke en gewasopbrengsten, zijn hier wel in meegenomen. De scenario’s gaan ervan uit dat alle boeren in Nederland de gekozen richting volgen en de bijbehorende maatregelen toepassen. Ook richt de studie zich op grondgebonden landbouw en intensieve veehouderij. De glastuinbouw is niet meegenomen omdat deze niet-grondgebonden sector zijn eigen ontwikkelrichting heeft naar klimaatneutraliteit in 2040.

Volop (technische) mogelijkheden voor veehouderijsectoren

De studie laat zien dat er een forse potentie is om met technische maatregelen, bijvoorbeeld emissiearme stallen, bij te dragen aan de klimaat- en milieudoelen door zowel de veehouderij als de akkerbouw. Ook bij behoud van de huidige omvang van de veehouderijsectoren. De bijdrage van de technische maatregelen aan het behalen van deze doelen is grotendeels afhankelijk van de mate waarin de maatregelen door de boeren worden toegepast. Indien technische maatregelen alleen niet voldoende blijken om de doelen te behalen, zijn krimp van de veestapel, omzetting van landbouwgrond op zand en klei in bos en het uit productie nemen van veengrond mogelijkheden om de doelen alsnog te behalen.

Akkerbouwareaal

In alle scenario’s neemt het akkerbouwareaal af ten opzichte van de huidige situatie. Deze ruimte is nodig voor grasland (een gevolg van grondgebondenheid in de melkveehouderij) of bosareaal (voor koolstofopslag). Als maatregelen niet volledig worden doorgevoerd of minder effectief blijken te zijn, zal een grotere krimp van de veehouderij nodig zijn en er weer meer ruimte voor akkerbouw zijn. Ook als er minder bosareaal wordt aangeplant, is er minder ruimte beschikbaar voor veehouderij en dus meer voor akkerbouw.

Arealen landgebruik (in 1000 ha) voor de huidige situatie (2017) en 2050-scenario’s.
Arealen landgebruik (in 1000 ha) voor de huidige situatie (2017) en 2050-scenario’s.

Europees speelveld

Bij de klimaatdoelen is uitgegaan van een netto emissie van nul: de emissie van CO2 mag niet groter zijn dan de vastlegging in bodems en bossen. Wanneer de opgave van de klimaatdoelen voor landbouw in 2050 op Europese schaal bekeken worden, kunnen technische maatregelen voldoende zijn zonder of met beperkte veranderingen in de Nederlandse veestapel. Op Europese schaal is er een grote potentie voor vastlegging van CO2. Dit ligt anders wanneer Nederland klimaatneutraal wil zijn zonder gebruik te maken van dit Europese speelveld. In dat geval is ook bij volledige toepassing van de technische maatregelen in het meest productiegerichte scenario een reductie van de veestapel van 20% nodig. Bij het meest natuurinclusieve scenario is dit ruim 40%.

Economische effecten

De scenario’s laten sterke effecten zien op de netto handel en zelfvoorzieningsgraad van verschillende landbouwproducten. Nederland zal minder gaan exporteren. Dit wordt deels opgevangen door de andere EU-lidstaten, maar ook de handel van de EU met de rest van de wereld wordt beïnvloed door de veranderingen in Nederland. De effecten op de kosten en opbrengsten van de landbouw hangen in belangrijke mate af van stimulering en beloning van maatregelen door overheden, bedrijfsleven en consumenten. Indicatieve berekeningen in deze studie laten zien dat de toegevoegde waarde in de landbouw met maximaal 36% zal dalen, met name bij de striktere beleidsdoelen.

Productievolumes voor de belangrijkste gewassen en dierlijke producten voor de huidige situatie (2017) en de 2050-scenario’s.
Productievolumes voor de belangrijkste gewassen en dierlijke producten voor de huidige situatie (2017) en de 2050-scenario’s.

Evaluatie klimaatakkoord

Het wetenschappelijk rapport en een publieksversie van de scenariostudie zijn gepubliceerd in de WUR Library en voor iedereen beschikbaar. De resultaten worden meegenomen in de reguliere evaluatie van het Klimaatakkoord en geven antwoorden op de vraag of de maatregelen die genomen worden om de klimaatdoelen voor 2030 te realiseren, ook op de langere termijn nog effectief zijn. Zodoende biedt het aanknopingspunten voor een onderbouwde discussie over de verdere uitwerking van de afspraken in het Klimaatakkoord.